Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

kei en alleen door slechts te verklaren, dat de doop in plaats van de besnijdenis gekomen was — maar neen! geen woord dienaangaande. ■ Indien het werkelijk waar was, dan kon Paulus niet nagelaten hebben dit te melden in den brief aan de Galaten; doch geen woord hier van eenen plaatsvèrvanger; integendeel, alles spreekt zulk een denkbeeld tegen. *) Als het zoo was', dan kon het niet missen of er moest melding van gemaakt zijn op de Apostolische vergadering te Jeruzalem, belegd met het uitdrukkelijk doel om op deze zaak te letten, nl. op de verhouding der besnijdenis tot de Heidensche Christenen. Waarlijk, als het zoo was, hoe kon er dan ooit zulk eene scheuring ontstaan zijn? Hoe kon omtrent deze zaak ooit gedisputeerd worden? Waren ae Apostelen onwetender omtrent deze zaak dan onze broeders? En waren zij het niet die, met goeddunken des Heiligen Geestes, dit geschil beslecht hebben? Indien er nu gelijk hier blijkt uit de eene of andere onverklaarbare oorzaak eene algemeene onkunde in de gemeenten heerschte, betrekkelijk deze ABC waarheid des Evangelies (gelijk onze broeders het beschouwen) hoe konden de Apostelen nalaten hen op deze vergadering het noodige onderwijs te geven? Hoe kon Jacobus, toen hij zijn gevoelen uitte "daarom oordeel ik, dat men degenen, die uit de Heidenen zich tot God bekeeren, niet bezware," voorbijgaande deze doorslaande reden te geven, "dat sedert nu de doop het verordende zegel des verbonds is, in plaats van de besnijdenis, zoo zou het onbestaanbaar en ongerijmd zijn, hun nu ook de besnijdenis nog op te leggen?" Zouden onze hedendaagsche kinderdoopers niet iets dergelijks gezegd hebben, als zij in zijne plaats gestaan hadden?

III. Er is echter eene plaats, die een volstrekt en beslissend ontkennen dezer stelling behelst. Het is Hand. 21: 20, 21, 25, alwaar Jacobus en de Ouderlingen te Jeruzalem tot Paulus zeggen: "Gij ziet, broeder, hoevele duizenden van Joden er zijn die gelooven; en zij zijn allen ij veraars der wet. En hun is aangaande u berigt dat gij al de Joden die onder de Heidenen zijn, leert van Mozes afvallen, zeggende, dat zij de kinderen niet zouden besnijden, noch naar de wijzen der wet wandelen. Doch van de Heidenen die gelooven, hebben wij geschreven en goed gevonden dat zij niets dergelijks zouden onderhouden, dan dat zij zich

*) lu welk een hatelijk licht plaatst deze stelling het gedrag van Petrus, one in Gal. 2: 11-14 opgeteekend. Eerst geeft hij (naar de stelling der kinderdoopers) aan de geloovigen uit de Heidenen den doop als plaatsvervanger der besnijdenis — en dan weigert hij met hen te eten, omdat zij niet besneden zijn!

Sluiten