Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

onrein en walgelijk schepsel, als een dood- en doemschuldig zondaar ontdekt, die voor God, zijnen onkreukbaar regtvaardigen en heiligen regter te vreezen heeft. Daarbij kwam nog M. V., het heerschende volksgeloof, dat men den dood als een natuurlijk gevolg van Gods zigtbare openbaring beschouwde of dat hij die een Engel gezien had, weldra moest sterven. Mozes, zeidë men, heeft het gezegd: Wie is er van alle vleesch, die de stem des levenden Gods, sprekende uit het midden des vuurs, gehoord hebbe, gelijk wij en zij levend gebleven? Datzelfde vinden wij bij Jacob, bij Gideon, bij Manoah! — Diep, zeer diep lag de grond van deze vrees, en geen wonder, dat zij bij alle regt overtuigde zondaars wordt opgewekt. Hij, de Heilige! en ik —ik de onreine! Ook de vromen zelve, zoolang zij in het ligchaam der zonde en des doods inwonen, en uitwonen van den Heere, kunnen zij die vrees maar zoo niet afleggen. Het reine hemellicht stelt hun hunne onreinheid in het helderst daglicht, zoodat zij alles aan en in zicheelven vuil en besmet zien, en uitroepen moeten met den melaatschen: onrein! onrein! Licht alleen maakt de duisternis zigtbaar, van daar dan nog hunne gedurige vrees, die zij overhouden, die de Heere zelf hun telkens door Zijn woord en Zijn' Geest zal moeten ontnemen. Laat ons nu'

II. Bij de boodschap stilstaan, die de Engel hun bragt.

Vreest niet! dat was het eerste woord, hetwelk die hemelbode tot de verschrikte herders sprak. Hij was geen Engel des verderfs, geen bode des doods, die hen tegen treedt. Hij kwam niet om hen op te roepen, om de aarde met den hemel te verwisselen, maar hij kwam om hen op aarde den heügroet des hemels te brengen. Freest niet, zoo sprak hij tot deze godzalige herders, want ziet ik verkondig u groote blijdschap, die alle den volke wezen zal. Ja! zij mogten

Sluiten