Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Luk. II vs. 13—H.

Ende van stonden oen was (daer) met den Engel een menigte des hemelschen heirlegers, prijzende Godt en seggende,

Eere (zij) Godt in de hoogste (hemelen) ende trede op aerden, in den menschen een welbehagen.

De Engel des Heeren M. V., had de heugelijke geboorte van den Messias aan de herders bekend gemaakt. Ziet' had hij gezegd, ik verkondig u groote blijdschap die allen den volke wezen zal, dat u heden geboren is de Zaligmaker, welke is Christus de Heere, in de stad Davids, en terwijl hij nog sprak, verschijnt daar eensklaps eene talrijke Engelenschaar, eene menigte des hemelschen heirlegers, welke aan zijne boodschap den meest mogelijken luister moesten bijzetten en bevestigen. De morgensterren zonjen te 'zameu vrolijk en alle kinderen Gods juichten, Job 3» vs 1-7 bij de grondlegging dezer aarde, zij betoonden hunne blijdschap in Godverheerlijkende toonen over de wording van dezen stofklomp, overdolven van eenen afgrond van water en nacht. Zekerlijk om geene andere reden dan omdat God deze aarde, dat nietig stipje in de onmeteUjke ruimte Zijner schepping, bestemd had tot de schouwplaats Zijner hoogste werken, den mensch daarop plaatsende, geschapen naar Zijn beeld en Zijne gelijkenis. Engelen waren er bij tegenwoordig, toen de Heere Jezus de wet op Smai afkondigde, en altijd waren zij begeerig geweest, toen de

Sluiten