Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

heid, maar even als de zondaar God haat, haat hij ook werkelijk zijn naasten. De zondige, diep bedorvene mensch kan niet anders dan dien haat te openbaren, in zooveel helschen twist,baatzucht, nijd en afgunst, om maar niet meer op te noemen. Maar door den geborenen Christus, is een naauwe vredeband wederom mogelijk, tusschen allen die uit God geboren zijn, daarom leest gij, dat ten tijde der Apostelen de menigte der geloovigen was één van hart en ziel. De duivel moge onder de toelating Gods, voor eene wijle tijds dien band tusschen Gods volk doen rekken en beproeven los te maken; hem te verbreken, dat vermag hij niet, tusschen zielen door één geloof, ééne hoop, eene liefde, in ééne waarheid aan één Heere verbonden, zij zullen als vijanden en haters van eikanderen niet lang kunnen leven. Ware dat mogelijk onder hen door wien eenen vrede Gods, die alle verstand te boven gaat in waarheid is gekend, hoe zoude het gebed, Vader vergeef ons onze schulden, gelijk ook wij onze «chüldenaars vergeven, tegen hen opkomen en getuigen. Maar neen! zij zullen wederom in vrede vereenigd worden, zoo dat M. V. geene plaats heeft, waarlijk wij hebben dan wel toe te zien of wij waarlijk uit God zijn geboren, want door Jezus komst in het vleesch is vrede onder de menschen, die van God den Heere geleerd en onderwezen zijn. Daaruit zullen zij weten of zij uit God geboren zijn, indien zij de broeders liefhebben. Ja! vrede tot alle menschen, niet alleen zegt de godzalige Brakel (2 dl. pag. 919) met de godzalige menschen, maar ook de goddelooze als menschen, immers aan hunnen kant (als zij begenadigd zijn) hun hart gaat na hen alle uit, zij zien ze aan als schepselen van hunnen God, als gereed staande tot hunne hulp, en zoo zij boos zijn, dat zij verre buiten hun bereik zijn, en hun niet kunnen schaden, want dan is de belofte, alle instrument dat tegen u bereid word zal niet gelukken, en alle tong die in het gerigt tegen u opstaat zult gij verdoemen , dit is de erve der knechten des Heeren en hare geregtigheid is uit mij, spreekt de Heere Jes. 54 vs. 14, 17.

Sluiten