Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ons zei ven in, dan geeft God daarover het schijnsel van Zijnen Heiligen Geest, dan dienen zij om ons in aanbidding voor God te verwonderen, dan worden wij zeiven er onder verootmoedigd, vernederd en verteederd, en die werkzaamheden uit God, zij keeren dan tot Hem terug; Hij wordt dan door ons geloofd en geprezen....! Zien wij nu

III. Hoe al hunne werkzaamheden die uit God waren, ook eindigden in God den Heere.

De herders keerden wederom verheerlijkende en prijzende God over alles wat zij gehoord en gezien hadden, gelijk tot haar gesproken was, aldus verhaalt Lukasons. De herders, al de begeerten hunner harten vervuld gekregen hebbende, keerden terug tot het bedrijf, hetwelk zij uitoefenden. Dat immers kan ons niet bevreemden, want naar de Schrift is het, het goddelijk bevel: Een iegelijk daar hij in geroepen is die blijve in hetzelve bij God. 1 Cor. 7 vs. 14. Zij keeren tot hunne kudden terug, God prijzende en verheerlijkende, en hoewel ons de wijze, waarop zij zulks gedaan hebben ons niet vermeld wordt, nogtans mogen wij uit deze beide uitdrukkingen besluiten, dat hunne harten, monden en tongen als 't ware vervuld waren, om met elkander over geene andere dingen te spreken, dan: komt maakt met ons den Heere groot, laat ons Zijnen heerlijken naam prijzen. Lof, schrijft de dichter, betaamt den opregten, en hoe konde deze hier dan ontbroken hebben? Deze beweldadigde, en met zoo groote genade begunstigde herders konden ook wel niet anders, dan om den lof des Heeren te vertellen, en wie dat doen mag, prijst en verheerlijkt God. Zij hadden wat gezien en gehoord en alles was juist overeenkomstig het woord, hetwelk tot hen gesproken was. Zij gevoelden zich gedrongen daarvoor den Heere eere toe te brengen. Zij eindigden in den Heere, hetgeen van Hem is, keert tot Hem ook terug. Zij deden hier dat werk, waarin de

Sluiten