Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

een traau langs de gegroefde wangen af. Op eens stond hij plotseling op. Hij moest er uit, onder de menschen. Hunne vrolijke beweging kon hem welligt nog weer opmonteren. Voort, naar de kerstfeestmarkt. H8 "wikkelde zich snel in zijne warme winterkleeding en stapte met een rustigen tred naar buiten om zijn voornemen ten uitvoer te brengen.

De vreemdeling ging de Koningstraat af en dan de brug over, waarop het standbeeld van den grooten keurvorst prijkt. Hij was nu op de kerstmarkt. Voor hem ging eene vrouw, met een meisje aan de eene en een jongetje aan de andere hand. Hij hoorde dat de vrouw tot de kinderen zeide:

— Daar ziet ge nu de kerstmarkt, lieve kinderen! Maar vergeet niet, dat al die mooije dingen niet voor ons zijn. Wij mogen er naar kijken en zoo er ons over verblijden. Maar wij kunnen er niets van koopen. Gij weet, uw lieve vader heeft er geen geld voor. Als hij geluking thuis komt en wat geld meebrengt, dan moeten wij het aan den koopman zenden die otts gedurig op de betaling van onZe schuld aandringt.

— Och, die stoute man! Hoe kan hij ook zoo hard tegen onzen lieven vader zijn! sprak haar dochtertje Anna. En de kleine Paulus balde zijne vuist er bij, alsof hij er dieu man eens duchtig voor tuchtigen wilde.

— Mijn lieve kind! zeg niet: Die stoute man! antwoordde de moeder.

— Maar waarom plaagt hij dan toch onsen armen vader zoo ? vroeg het meisje weder.

— Hij weet denkelijk niet, hoe hard vader dag en nacht moet werken, om ook maar het dagelijksche brood voor ons allen te verdienen. Hij denkt missehien, dat wij enkel uit onwilligheid de schuld niet betalen. Ach, kon hij maar onzen nood zien en ons klagen hooren. Hij zou vast wel medelijden en geduld met ons hebben. En als hij het dan niet had, dan zou hij zelf het meest te beklagen zijn. Al zijtt geld zou hem niets baten, als zijn hart van geen erbarming en liefde wist.

De kleine Paulus bad reeds lang niet meer naar moeders woorden gehoord. 'Zijne oogen zwierven in de welvoorziene winkels

Sluiten