Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

rond en vergastten zich aan al de mooije dingen, die hier te zien waren.

— O, kijk toch eensj moeder! riep hij, wat mooije soldaten! Wat glinstert en schittert, dat! En hier, die geweren en die trommels ! En die mooije sabels! En die glinsterende trompetten! Och, ik wou dat ik toch maar iets van al dat moois kon krijgen!

— Maar, Paulus! riep op een zacht bestraffenden toon de verstandige zuster, hoe kunt ge mama nu zoo plagen? Ge weet toch, dat ze u niets koopen kan.

— Kindlief! sprak de moeder, geloof mij, het doet mij het meeste leed dat ik u geene kersttafel kan maken. Maar wij moeten dit jaar alles uitsparen. Welligt helpt ons de lieve Heer, dat wij in liet volgende jaar weer kerstgeschenken kunnen koopen. Denken wij maar: moeder Maria en het lieve kind Jezus zijn nog armer geweest dan wij. Zij hebben in een stal gewoond, en wij hebben nog ons aardig, warm kamertje. Het kind Jezus heeft nooit een kerstboom gehad, en is toch zulk een vroom kind geweest.

De vreemde heer, die achter de moeder en hare kinderen liep, had met steeds meerdere deelneming hunne gesprekken aangehoord. Hij dacht aan den ouden , lang reeds vervlogen tijd. Zóó was hij ook vroeger met zijne beide kinderen op de kerstmarkt geweest. Wat hadden zij dan wel, terwijl zij naast hem liepen, een pleizier gehad, als zij al het heerlijke dat op de kerstmarkt te koop was, aanschouwden! En wat was hij zelf vrolijk geweest, als hij de rijke kerstgeschenken voor. hen koopen en hun die geven mogt! Nu had hij niemand, niemand hoegenaamd, wienhij met hetkerst^ feest vrolijk maakte. Hij gevoelde zich nu weder zoo eenzaam en verlaten, als hij zich nog nooit in zijnideven gevoeld had.

Zoo waren zij aan het einde van het slotplein gekomen. Juist luidden de klokken van den dom om hen tot het Christusfeest te roepen. Daar sprak de moeder:

— Nu, lieve kinderen! willen wij in de kerk gaan. Daar

Sluiten