Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Aan de Eerste Kamer der StatenGeneraal.

MIJNE HEEEEN,

Als burger, als regtsgeleerde, niet minder dan als Christen, als Katholijk, zoude de Adressant zijn gevoel van pligt verzaken, indien hij niét, bescheiden maar vrijmoedig, zich tot Uwe Vergadering wendde, om een Wets-Ontwerp te bestrijden, welks aanneming, naar zijne innige overtuiging, in eene niet verwijderde toekomst gevolgen zoude kunnen na zich slepen, die noch de Verdedigers noch de Bestrijders kunnen begeeren.

Als burger van den Nederlandschen Staat, ziet hij met diepe droefheid een Ontwerp, door een' der Verdedigers zeer oneigenlijk een verzoenings-teeken genaamd, maar dat den Adressant veeleer het teeken van tweedragt toeschijnt, even noodlottig voor den Troon als dreigend voor het dierbaar Vaderland.

Als regtsgeleerde heeft hij met pijnlijk gevoel de pogingen gadegeslagen, om de Grondwet te wringen in eenen zin, welke nimmer gelegen heeft in de bedoeling van hen, die tot de herziening hebben medegewerkt, of haar hebben bekrachtigd, en hij herinnerde zich daarbij de uitspraak van den grootenBACO, durum est torquere leges, ut torqueantur hommes. Hij gelooft, dat men door bekrompene en gcwrongene uitleggingen der staatswet alleen den eerbied voor en het vertrouwen in de nationale üistellingen kan verzwakken. Hij is door geene spitsvindigheden overtuigd geworden, dat het geven van eene terugwerkende kracht aan eene verbods-wet niet strijdig zoude zijn met de eeuwige beginselen van de regtvaardigheid.

Sluiten