Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

over de Generaliteitslanden is omgeslagen, daar zij thans wel een deej van het rijk uitmaken, maar niet op den voorgrond kunnen staan.

De leeuw brengt ons hier de natie op staatkundiggebied voor de aandacht. Men meene toch niet, dat hij zijn aard verloren heeft. Dat hij, hoewel schijnbaar sluimerend, niet ingedommeld is, bewijst de vertrokken muil, die hem een voorkomen geeft, dat aan het oude woord doet denken: ,/Wek hem niet, gij zult veel te doen hebben eer gij hem weder stilt." Ook leunt hij met den kop tegen den Bijbel, gedachtig aan het oude randschrift: TeTwijl wij op den Bijbel steunen wordt de vrijheid door ons beschermd.

Die geopende Bijbel werpt op den leeuw en langs dezen op het koningschap bij de Gratie Gods een zacht en lieflijk licht; zooals de boodschap der genade van den Christus der Schriften aan ons geheele volksbestaan haar eigenaardigen glans heeft meegedeeld. Ook is opzettelijk het boek van Jesaia, en wel het eerste hoofdstuk, opengeslagen, waar zoo rijk in vertroosting als gespierd van taal in den ouden dag beschreven werd wat het Evangelie in de „volheid des tijds" zou zijn en vermogen. Hoe beschamend klinkt het ons tegenwoordig geslacht in de ooren: //Hoort gij hemelen, en neem ter ooren, gij aarde; want de Heere spreekt: ,/Ik heb kinderen groot gemaakt en verhoogd, maar zij hebben tegen Mij overtreden." En niet minder: //Komt dan en laat ons samen richten, zegt de Heere, al waren uwe zonden als scharlaken, zij zullen wit worden als sneeuw; al waren zij rood als karmozijn, ze zullen worden als witte wol."

De Bijbel ligt tegen een afgehouwen eikenstam, wel gezond maar aan de oppervlakte verweerd. Een beeld des volks op maatschappelijk gebied. Om den stam slingert zich eenklimoprank. Deze is het zinnebeeld van dat deel der natie, hetwelk verre van te versterven een frisch en jong leven openbaart.

Zij verheft zich langzaam maar in klimmende richting opwaarts;

Sluiten