Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

voorstellen. Zoolang de Kerk bestaat uit in zichzelven doemwaardige schepselen, die, (zij het dan ook door den Geest Gods wedergeboren) hun zondig hart altijd met zich omdragen, zoolang zij in het lichaam der zonde zijn, en zoolang er onder het koren zich telkens weder onkruid openbaart, — zoolang zal er strijd noodig zijn, ook tegen inwendige gebreken. Doch zijn wij, omdat niet al het kwaad is weg te nemen, daarom niet verplicht de Kerk van die gebreken te zuiveren, die wij, met de hulpe des Heeren, wel vermogen weg te nemen? Waar wij ons van zooveel inwendig bederf in de Kerke Gods zien omringd, is het daar niet dure plicht, om, in gehoorzaamheid aan 't Woord onzes Gods, in Zijne kracht, te doen wat wij vermogen om de Kerk te bewaren, of weer te vestigen op haren onwrikbaren grondslag? Doch er is meer! Het kwaad, dat uit die „organisatie" is voortgevloeid, of daarmede in zeer nauw verband staat, is veel grooter dan menig oppervlakkig oordeelaar zou denken.

Als men, afgezien van het samenwonen van geloovigen en ongeloovigen, in gelijke rechten, slechts de aandacht vestigt op iets van het vele, dat als 't ware voor de hand ligt, dan is het onmiskenbaar, dat die organisatie een ontzachelijken schadelijken invloed op het „kerkelijk leven" heeft uitgeoefend. Stellen wij ons eene gemeente voor, waar een hevige strjjd moet worden gevoerd» tegen het „Modernisme", om, met het oog op de getalsterkte, staande te blijven. Zulk een strijd eischt dikwijls alle krachtsinspanning , met dit gevolg, dat men geen tijd heeft om naar behoefte te arbeiden aan den „geestelijken wasdom" der geloovigen, of ook dat men verregaande gebreken onder de „belijders" over 't hoofd ziet; want als men met dezulken handelt, naar den „maatstaf der Schrift", dan vreest men dat zij zich zullen terugtrekken, en dat kan niet want, dan zou de meerderheid minderheid kunnen worden en daarom — gezwegen van dat alles. Meer nog! Hoe menig onkundige, tot de rechtzinnige partij behoorende, heeft niet bij zichzelven gedacht, dat het al heel goed was, als hij maar de waarheid toestemde, en geregeld de godsdienstoefeningen bijwoonde. Hij was immers zooveel beter dan deze of gene, die ongeloovig is, en daar benevens een ergerlijk leven leidt, en toch, even-

Sluiten