Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Even zoo, doch minder streng, voor zoo veel het recht des Konings ten dezen betreft, is het gevoelen van den Hoogl. BV J. Roïaards in zijn Hedend. Kerkregl bij de Hervormden in Nederland, Dl. I, 'bl. 227, waar wij lezen: »De Grondwet draagt aan den Staat op het regt van toelating (jus reformandi) van nieuw opkomende Kerkgenootschappen, wat derzelver kerkelijk staatkundig aanwezen betreft. Art. 191. Deze staatkundige bescherming is aldaar voor de beslaande Kerkgenootschappen aan den Staat opgelegd; waaruit dus volgen zou, dat de Staat niet 'gehouden is die bescherming te verleenen aan nieuw opkomende gezindheden. Dat echter de Wetgever geenszins bedoeld heeft dit regt onbepaald uit te strekken en het dus aan mogelijke willekeur van den Staat over te laten, of de nieuw opkomende godsdienstige Genootschappen aanwezen mogen ontvangen ■> dan niet, blijkt genoegzaam uit het verband, waarin dit art. voorkomt met het voorgaande en volgende. Gelijk toch dit regt niet eens regtstreeks in de Grondw. staat uitgedrukt, maar alleen bij gevolgtrekking uit het woord, bestaande Kerkgenootschappen , wordt afgeleid, zoo staat hetzelve te zeer in verband met de volkomen vrijheid van godsdienstige begrippen, die door het voorgaande art. aan alle ingezetenen des Rijks is gewaarborgd, . dan dat dezelve aan onbepaalde willekeur zou zijn overgelaten» Immers, in» .dien al vrijheid van godsdienstige begrippen daar heerscht, waar niemand om zijne godsdienstige meeningen mag worden vervolgd, en dus geene Inquisitie plaats heeft, waar elk in het godsdienstige mag denken wat hij wil, zoo is die vrijheid toch niet volkomen (gelijk de Grondw. eischt), waar men dezelve naar den eisch onzer begrippen niet openlijk ook door eerdienst en in een Christelijk Kerkgenootschap mag uitoefenen. Zou daarenboven deze stelregel, indien zij ook door de Grondw. werd ge-

Sluiten