Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

waarborgd, van onverdraagzaamheid en illiberaliteit zijn vrij te pinten? of zou dit gevolg, uit één harer artikelen getrokken, niet in strijd zijn met die uitdrukkelijke bepalingen, die de ruimste, schoon bedachtzame verdraagzaamheid prediken ? Maar zoo min dit regt beperkt is ter.eene zijde, zoo min is het onbepaald ter andere zijde: het is noch iüiheraal, noch ultra-liberaal. In hoe verre toch dit regt aan den Staat verbleven is, blijkt uit de volgende artikelen, die de grenzen plaatsen voor de toelating van nieuwe Kerkgenootschappen van Staatswege. Uitdrukkelijk zegt .art. 193, dat geene openbare oefening van godsdienst (culte) — en dus niet alleen der bestaande gezindheden, gelijk art. 191, maar in den ruimsten zin, — kan worden belemmerd, dan ingevalle dezelve de openbare orde of veiligheid zou kunnen storen. Eu immers, waar de Staat geene bescherming verleent aan openbare Godsdienstoefening, d£ar kan hij gezegd worden dezelve te belemmeren ; want het eerste kan zonder het laatste niet bestaan. Men zou daarom kunnen vaststellen, dat hij (de Staat) althans zedelijk verpligt ware, dezelve, zoo verre zij onschadelijk zijn, even als de bestaande Genootschappen, te beschermen, opdat daardoor de volkomen vrijheid van godsdienstige begrippen en gelijkheid van.alle burgers ook in het kerkelijk-godsdienstige zou worden gehandhaafd. Maar niet minder is de Staat zedelijk verpligt de onderlinge eendragt der verschillende gezindheden door de middelen, die onder zijn bereik zijn, te bevorderen , en zoo veel mogelijk scheuringen tegen te gaan. In hoe verre nu door den Staat de schadelijkheid van nieuw opkomende gezindheden tè berekenen zij, en in boe verre hij dus het regt heeft die te weren, is mede door de Grondw. aangewezen: ingevalle dezelve de openbare orde of veiligheid sou kunnen storen. Dit tc beoordeelen , moet aan den Staal verMij-

Sluiten