Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

der laatstgenoemden om voor zich bet verlof des Koning» ter vestiging te verzoeken, of het recht des Konings om die Kerkgenootschappen te weren. Wel is waar, leert ons de Hoogl. Rovaakds, dat geene openbare godsdienstoefening zonder bescherming des Staats bestaan kan, en 'B||ifl<W.H de nieuwe Kerkgenootschappen noodwendig die bescherming behoeven, welke de Grondw. slechts aan de reeds bestaande verleent: maar, gelijk wij nog nader zien zullen, art. 191 verstaat onder bescherming juist die, welke in vroegere tijden slechts aan de heerschende gezindheid verleend werd, en bijzonderlijk in het bevorderen van hare belangen en welzijnbestond (4): en dus zou bij wettige tegenstelling uit genoemd art. slechts volgen: dat de nieuwe Kerkgenootschappen, die op geene gelijke bescherming aanspraak kunnen maken, evenwel voor zich mogen vorderen die algemeene bescherming tegen euvelmoed en geweld, welke de Staat ook buiten eenige uit(4) -Wj S*»» n'e' hoe de Grondwet door bescherming, in art. 191, aan eene bescherming, zoo als die weleer alleen door eene heerschende gezindheid genoten werd, kan gedacht hebben. Wij bevroeden ook daarom de reden niet, waarom aan later opkomende gezindheden eene niet gelijke bescherming zou moeten verleend worden, even min, waarom deze niet zouden mogen ontstaan, zonder verandering der Grondwet. De schr. heeft zoo even twee gevoelens vooigesteld, welke hij meent dat slechts een der beiden kunnen worden aangenomen'; doch, het komt ons voor, dat er nog een derde gevoelen is, hetwelk de schrijver niet vermeldt, namelijk, dat het betwiste'art. 191 op-dit punt omtrent nieuwe gezindheden niets bepaalt. Het doel van bet artikel is blijkbaar de gelijkstelling van alle Godsdiensten (vgl. art. 192) in den Slaat, en dus de afschaffing van alle heerschende Godsdienst. Zoo dus dit art. over nieuwe gezindheden niets bepaalt, volgt uit hetzelve geen regt der nieuwe Genootschappen bm zich te vestigen ; maar ook even min een pligt van den Staat om die toe te laten. Nieuwe Genootschappen kunnen dus uit dat art. hun regt om te bestaan even. min ontkenen, als het tegendeel daaruit zon kunnen worden afgeleid.

Sluiten