Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hem gestelde beperking te bewijzen, ware het hem noodig geweest dat recht van erkenning, als den Koning toekomende, van elders te bewijzen, daar toch, indien dat recht, zoo als men erkent, alleen maar steunt op het woord bestaande, men weder de beteekenis en omvang van dat woord niet uit dat recht kan afleiden, zonder met zijne redenering in een' cirkel rónd te draaien. Het woord beslaande geeft in zijnen eenvoudigen, natuurlijken zin slechts een feitelijk aanwezen en gevestigdheid te kennen, en zij, die er een juridiek aanwezen, een door den Staat of Koning erkend bestaan door begrijpen, dienen noodwendig dit hun gevoelen uit andere bepalingen der Grondw. aan te toonen, hetgeen hun evenwel onmogelijk is. De Grondw. spreekt nog steeds en voortdurend en ieder oogenblik; en het is dus geenszins noodzakelijk hare bepalingen tot den staat van zaken in i8i5 terug te trekken. Mitsdien zegt zij ook nog heden, dat aan alle godsdienstige gezindheden, op ditoogenblik in het Koningrijk feitelijk aanwezig en gevestigd, gelijke bescherming wordt verleend: maar als-«ij dat zegt, dan booren wjj geenszins, dat tot dat feitelijk bestaan en ten einde die bescherming te mogen vorderen, vooraf of vérvolgens 's Konings erkenning gevorderd wordt.

Dan dat zoogenaamde recht van toelating of erkenning is niet alleen gants onbewezen en ongegrond, maar druischt daarenboven ook in tegen den gantschen geest en de uiteVukkelijke letter der Grondw. in al hetgeen zij over het stuk der Godsdienst bepaald heeft.

Wat den geest der Grondw. betreft, zoo zij daaromtrent een allerbevoegdst getuige de President der Commissie ter harer vervaardiging, wijlen de Graaf van Ho«BNDORr, die in zijne Bijdragen tot de huish. van Staat, 8» Deel, de algemeene beginselen blootlegt, welke men in de Grondw. gevolgd heeft. Op bl. 95i—355 handelt

Sluiten