Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

scherming van ajle Godsdienstoefening, welke de rust niet stoort (9). Deze denkbeelden zijn uitgedrukt in art. 190, 191, iii3." En hiermede stemt ook overeen hetgeen wij lezen in het Rapport der Commissie aan den Koning: » Verschillende godsdienstige gezindheden zijn in de Vereenigde Nederlanden zamengekomen, en derwaarts gelokt door de zachtheid der wetten en de bescherming der regering: zij blijft dezelfde." (Dat is: zij, die zachtheid der wetten en die bescherming der regering, waardoor verschillende gezindheden in het Rijk samenkomen en derwaarts gelokt worden, blijft dezelfde.) »Welügt was er geene andere bepaling noodig geweest, en had men aan U. M. geheel kunnen overlaten om naar de inspraak des harten voor de leeraars van den Godsdienst te zorgen. Dan wij meenden, dat de Grondw. voor uwe opvolgers ten pligt moest maken, uwe edele gevoelens over te nemen, en dat zij daarenboven de verzekering geveu moest, dat nooit eenige gezindheid eene andere in de beoefening van zijnen (haren?) eerdienst storen kon, door stellig te verklaren, dat de Staatswet aan allen gelijke bescherming verleent." Uit dit alles nu leeren wij weder twee hgitfnderheden.*' De eerste is, dat men zich wel tot de gelijkstelling van alle Godsdiensten bepaalde, doch niet tot die revolutionnaire gelijkstelling, waarbij alle Godsdienst voor den Staat werd vernietigd en de te voren heerschende Godsdienst tot den rang der overigen vernederd; maar integendeel tot die gelijkstelling, waarbij alle Godsdiensten werden behouden en

tjjf\ Dit, gelooven wij, is werkelijk het ware beginsel, en daarom is ook, omes inziens, de gelieele vraag afgescheiden van het geschil over de beteekenis van bet woord bestaande. Het regt van toelating van wege den Staat (waarover vroeger) bestaat alleen in bet onderzoek: of de nieuwe secte de openbare orde of veiligheid zou kunnen storen. Zie art. 10,3 der Grondwet.

Sluiten