Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wanneer men haar naar den eisch onzer begrippen niet opentlijk ook door eerdienst en in een Kerkgenootschap mag uitoefenen. Wat zeg ik, geen volkomen vrijheid? integendeel de grootste slavernij. Hooren wij de Gereformeerde Kerken van Nederland ten jare i588 in een smeek-, schrift aan de Koningin van Engeland tegen den begonnen vredehandel met Spanje: » Zij (de Spanjaards) zullen zeggen, dat men vrijheid van consciëntie toelaten zal, zonder openbare exercitie, en mits dat men geen schandaal geve. Maar dat is met de luiden gegekt. Wij zwijgen, dat de consciëntie, zoude zij vrij zijn, de openbare exercitie niet kan derven, en dat de kinderen Góds geleerd hebbende, dat men met het harte gelooft tot gerechtigheid en met den monde belijdt tot de zaligheid, zouden God niet kunnen dienen met hare helfte alleen. — Eene schoone vrijheid, dewelke den mensche het gebruik van alle uitwendige zinnen en lidmaten tot de dingen, die van God geboden zijn, benemende, en dezelve tot die dingen, die van God verboden zijn, dwingende, zal niet vrijlaten dan alleen de gedachte, bij gebreke dat zij daar niet aan kan komen. Vrijheid dan, die de slavernij zelve is, en, om eigèüdijk te spreken, de allermeeste pijniging der consciëntie, die men onder de aienschen zon mogen vinden." Zie Bor, Ned. Oorl. 24 B. f. 81. Bbakdt, Hist. d. Ref. Dl. I, bl. 752. Soholtb, Verv. d. liefd. hand., bl. 107. Men spreke dus niet meer van eene volkomene vrijheid van godsdienstige begrippen, wanneer zij slechts tot het hebben en koesteren derzelve bepaald wordt: maar zij is dan eerst volkomen, wanneer zij het vrijelijk uitoefenen der Godsdienst overeenkomstig die begrippen in zich bevat: en in dezen zin is zeker art. 190 niet overtollig te noemen. Eindelijk, art. 196 vermeldt uitdrukkelijk en als verwijzende tot eene vroegere bepaling, dat de vrijheid van uit-

Sluiten