Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

oefening van Godsdienst bij de Grondw. is gewaarborgd: maar tot welke andere bepaling kan aldaar worden verwezeit, dan tot .art. 190, hetwelk dus hierdoor eene authentieke verklaring erlangt (10)? Bij dit art. is dus de volkomen vrijheid om nieuwe Kerkgenootschappen overeenkomstig zijne godsdienstige begrippen op te richten, gewaarborgd; en van een recht van erkenning of toelating, aan den Staat of Koning toekomende, wordt er niet in gesproken.

Maar die volkomen vrijheid was nog niet genoeg, daar zij te veel gelijkheid had met dien revolntionnairen geest, welke zich om geen Godsdienst bekreunt. Volgens het Pantheïsme van den Nederlandschen Staat moest de bescherming, die oudtijds slechts de bevoorrechte Godsdienst genopt, gehjkelijk aan alle godsdienstige gezindheden, in het Koningrijk bestaande, verleend worden (11). Dit wil art. 192. De uitdrukking, in het Koningrijk bestaande, houdt eene beperking in en sluit alle godsdienstige gezindheden, buiten het Koningrijk bestaande, buiten; Hiermede houdt dus op hetgeen te voren wel plaats had en de eigenaardigheid der zaak medebracht, dat de alhier heerschende Godsdienst ook in andere landen voor haar bestaan en welzijn zorgde. De Staat behoeft zich thands met geene buitenlandsche Kerken, hoe ook aan de inlandsche verwant en vereenigd, te bemoeien: hij bepaalt zijne zorg slechts tot zich zel. ven, tot zijnen eigenen omkring I de Nederlandsche Staat is volgens de teekenihg der Grondw. wel pantheïstisch, maar ook egoïstisch daarbij: en indien ook al de Godsdienst overal elders verviel, onze Staat zou zich dat niet aantrekken. Dit is, dunkt ons, de duide-

(to) Neen, zouden wij gelooven ; art. 196 verwijst naar art. I93. Daar is van oefening, uitoefening, exercice gehandeld. (11) Verg. onze 4e Aanteekening.

Sluiten