Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

lijke zin dier beperkende uitdrukking (12): en wanneer wij er het boven gezegde over het Woord bestaande, en over de verkeerde gevolgtrekking, die men er uit afleidt, bijvoegen, dan wordt het ons nog klaarder, dat art. 191 geen recht des Konings van toelating of erkenning van nieuwe Kerkgenootschappen geeft of onderstelt.

Diezelfde gelijkheid van reeds bestaande en van nieuw opkomende Kerkgenootschappen aien wij. ook in art. 192: De belijders der onderscheiden Godsdiensten genieten allen dezelfde burgerlijke en politieke voorregten, enz. Opmerkelijk is het verschil van den Franschén text 1 Tous les sujets du Roi, sané distinction de croyance religieuse, jouissent des mêmes droits civils et politiques, etc. Wij maken er uit op, dat Godsdiensten of Kerkgenootschappen eri croyances religieuses of godsdienstige begrippen volgens den zin der Grondw. voor eensluidend mogen gerekend worden. En daar nu art. 192 zich niet slechts tot de reeds bestaande godsdienstige begrippen betrekt, maar zich ook tot allerlei nieuwe begrippen, welke ook, uitstrekt, als wel niet zal ontkend worden; zoo kan het zich even min slechts tot de bestaande Godsdiensten, of godsdienstige gezindheden of Kerkgenootschappen bepalen, maar moet alle, oude en nieuwe, evenzeer onder (12) Welwillend kan voorzeker de verklaring, hier van onze Grondwet gegeven, niet wel genoemd worden. Nooit is het een regtspligt geweest in den oud Nederlandschen Staat, om elders bestaande Kerkgenootschappen te ondersteunen. Er behoefde dus in de Grondwet geene bepaling te worden opgenomen, die, als het ware de Regering voortaan van dien pligt zou ontslaan. Er is ook stellig daaraan bij bet opstellen der Grondwet niet gedacht, zoodat de vooronderstelling van de egoïstische bedoeling, door den schrijver in het midden gebragt, ons even zeer van grond ontbloot schijnt te wezen. De Grondwet is eene wet van Staats-, niet van Volkenregt; daarom bepaalt zij zich tot hetgeen !n het Koningrijk bestaat.

2 *

Sluiten