Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hoon, verachting en verguizing en spot, armoede, ellende, gebrek en jammer hun ten deel, Hij de Goede Herder doet alle deze dingen hun ten goede medewerken; dwalen zij af op de kronkelpaden der zonde, Hij verlaat de kudde in de woestijn, volgt zijne verdwaalde schapen na en zoekt hen op tot dat Hij ze vindt. Zoo gaat Hij geleerden en aanzienlijken, wrsten en magtigen en rijken der aarde, ja zelfs de engelen des hemels voorbij, om, in zijne eeuwige liefde, het oog zijner ontferming op zijne schapen te vestigen; en komt tot hen de dood, dan vergezelt — neen! Hij snelt hem voorbij, en vóór de bode aankomt is de Goede Herder bij het schaap zijner weide, en vóór het donkere dal van de schaduwe des doods zich voor des Heeren schaap ontsluit, is alle vrees reeds verbannen, want het waarachtig licht is daar, zoodat de duisternis moet wijken, de Goede Herder is daar, en het schaap behoeft slechts zijne welbekende stem te volgen, Hij kent dat pad — het leidt, ja, door een diep en donker dal, maar naar den berg der eeuwige zaligheid des hemels; daar is het schaap voor eeuwig elk gevaar ontkomen, elke vrees te boven — en dit heeft het te danken ééniglijk en alléén aan de liefde van jezus. Welaan dan, mijne Gel.! mag Hij, die zijne schapen hef heeft van eeuwigheid tot eeuwigheid, zich zeiven niet „den'Goeden Herder" noemen?

II. Daar is echter meer, wij hooren jezus ook zeggen: „ik ben de Goede Herder, want ik ken de mijnen."

Vooral onder de Oosterlingen, en onder Israël als herdervolk, was het eene bekende zaak, dat een herder zijne schapen van alle andere kon onderscheiden; wanneer verschillende kudden door elkander vermengd werden, waren de herders in staat ieder zijne eigene schapen weder van die der overigen af te zonderen; daartoe had men voorzeker

Sluiten