Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hij het oor aan de lokstem, die door zijne vrouw tot hem kwam. Dien moedwil heeft Jezus zoo treffend geteekend in het woord: //Gij wilt tot Mij niet komen, opdat gij het leven hebt." En juist dat zal alle klacht over onmacht moeten doen verstommen in een kermen over den onwil, den moedwil en vandaar dat de Heere God juist nederziet op de armen en verslagenen van geest en op die beeft voor zijn Woord. Eindelijk — de mensch is van de Goddelijke gaven beroofd, die in vraag 6 vermeld werden: gerechtigheid en heiligheid. Hier komen wij op een geschilpunt tusschen de Roomsche en de Gereformeerde voorstelling. Rome leert, dat die gaven niet behoorden tot 's menschen oorspronkelijke natuur, maar hem toegevoegd waren, zoodat hij bij den val was als een mensch, die een mantel aanhad, maar dien verloor. De Gereformeerde leest daarentegen in Gods Woord, dat wij geschapen zijn in ware gerechtigheid en heiligheid, die alzoo het wezen onzer natuur uitmaakten in den staat der rechtheid. Toen de mensch viel, werd hij van deze gaven beroofd en is zijn natuur alzoo verdorven, dat zij juist omgezet werd in het tegendeel van hetgeen ze was. Denk u een kundig geneesheer, die het lancet tot zegen der menschheid gebruikte, en opeens krankzinnig geworden, het als moorddolk keert tegen zijn naaste.

Gevolg is dan ook, dat de Roomsche kerk den natuurstaat van den mensch in onbekeerden toestand lang zoo erg niet beschouwt. Intusschen, al geeft menig Gereformeerde dikwijls hoog op van het diep bederf van zijn wil en zijne natuur, hoe menigmaal wordt er gesproken van z ij n best doen, van tekortkomingen enz. enz., uitdrukkingen, waardoor niet opzettelijk maar toch beslist, miskend wordt de geheele verdorvenheid van den mensch, die een kind des duivels geworden is. Maar God zij geloofd, niet voor onschuldige, rechtvaardige, goedige menschen, maar voor krachtelooze, goddelooze menschen, vijanden, zondaars is Christus gestorven (Rom. 5).

De tweede vraag luidt: //Wil God zulke ongehoorzaamheid en afval ongestraft laten?" Hiermede wordt een tweede bedenking geopperd, waardoor een zondaar zou kunnen trachten te ontkomen aan het hem dreigend verderf. Het is dan zoo, God mag terecht van den mensch eischen het volbrengen

Sluiten