Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Gij ziet een vlieg, die u op de hand komt en n steekt, en ge slaat ze dood.

Ik neem dat doode diertje en breng het onder bet vergrootglas en ik laat u die wiekjes zien van het fijnste weefsel, schitterend als diamant, met duizenden en duizenden donkere aartjes doorweven; ik laat u dat oogje zien uit geslepen vakjes bestaande, die allen volkomen zeshoekig aan elkander sluiten ten getale van eenige duizenden ; wij zien dat snuitje, 't welk het diertje eene oorzaak was van sterven .... maar genoeg. Eén blik, één enkelen blik op die groote volmaaktheid in datgene, wat gewonen menschen verborgen blijft, en onwillekeurig richt ge uw blik ten hemel om vol dankbaarheid van den volmaakten God te getuigen: „Heer! hoe groot zijn uwe werken!"

Wie zou nu dien God meer vereeren, meer eerbiedigen, hij, die zijne werken nauwelijks gadeslaat, of degene, die de bestudeering dier werken tot eene levenstaak heeft gemaakt ?

Maar hoe meer men dan ook Gods werken bestudeert, hoe meer men God leert kennen, hoe meer men inziet, dat priesters en theologanten den eenigen volmaakten God zóó gewikkeld hebben in dogma's, dat men Hem niet meer kennen kan.

Daarom staat de wetenschappelijke man op tegen de machthebbenden in de kerk en zegt hun openlijk, dat zij God onkenbaar hebben gemaakt; maar daarom is ook de kerk vertoornd op die mannen des lichts en om indruk op de onontwikkelde menigte te maken, voor wie de wetenschap een gesloten boek is, zeggen zij: die man is een godloochenaar.

Hoe dikwijls hebben zij mij zulks niet naar het hoofd geslingerd P

Sluiten