Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gewoon zijn*" Haar pok afgescheiden daarvan, was liet onderwerp wèl de overweging waard. Welk deskundige toch ontkent, dat op het gebied der „Binneulandsche Zending" (deze uitdrukking schijnt mij in elk ge^füister dan die van „Inwendige Zending") de geschikte personen, daar, waar zij het meest noodig zijn, ontbreken? „Evangelisten" in den engeren zin des woords zijn er wellicht niet te weinig. Maar „arbeiders" en „arbeidsters" in weeshuizen, gestichten voor ouden van dagen, gevangenissen, tot ziekenverpleging en verzorging van verwaarloosden en gevallenen, personeel voor de verschillende soorten van Te Huizen en de zóó noodige Christelijke gestichten voor blinden, doofstommen, idioten en epileptici, krankzinnigen enz.! Waar zijn zij, die dergelijken arbeid in des Heeren Naam begeeren, en onder dezen waar degenen, die geschikt zijn? Zal met deze vraag niet allereerst geantwoord moeten worden op de circulaire-Van Andel c. s., welke het „tot stand komen" bepleit van „inrichtingen, waarin die ongelukkigen onder de verpleging der ware christelijke liefde verkeeren"? Is niet aan eene school tot opleiding van personeel, voor dergelijke inrichtingen bestemd, grootelijks behoefte? Moest niet de saamgekomene vergadering van Redactie en Medewerkers der Bouwsteenen in de eerste plaats daarvoor de grondslagen aangeven, het initiatief, zoo mogelijk, nemen ?

De laatste vraag alleen meende ik niet toestemmend te mogen beantwoorden, of liever, ik achtte haar onafscheidelijk van eene andere, wier juiste beantwoording van groot belang schijnt te zijn voor eiken stap, dien wij verder doen op het gebied der Binnenlandsche Zending. Ik meende die vraag het best te stellen door een amendement op genoemde stelling voor te dragen, luidend: „Deinwendige zending kan niet bestaan zonder gemeenten, die haar als levenstaak opvatten", waarbij ik onder „gemeente" de „in kerkelijk verband georganiseerde plaatselijke gemeente" bedoelde.

De aanwezige medewerkers van dit Tijdschrift vereenigden zich met dit amendement en een enkele meende zelfs, dat er eigenlijk van geen principieel verschil tusschen den geachten en deskundigen verdediger en mij sprake kon zijn. Toch bleek bij de verdere beraadslaging, dat dit amendement niet slechts op de volgende stellingen ingrijpend werkte, maar ook juist het belangrijke vraagstuk over het verband tusschen de beide genoemde instellingen: „Kerk" en „Inwendige Zending" niet minder nadere toelichting en onderlinge bespreking vereischte dan de nu aan de orde gestelde „Evangelistenschool". Tengevolge daarvan werd mij verzocht, voor dit Tijdschrift

Sluiten