Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bij beurten, in het huis doen wonen, om alles wèl te regeeren: dat de huisvader zelf zoo weinig erkentelijk is voor al hunne zorgen, juist naarmate zij steeds meer alle zorg en leiding hem, immers uit medelijden, ontnemen. Aanvankelijk, ja, zag hij den onderstand en hulp gaarne verstrekt, maar instinctmatig gevoelde hij, dat ook deze „barmhartigheid" wel eens „wreed" kon zijn. En zie, wat geschiedt ? terwijl het huisgezin zoo uitnemend wordt verzorgd, wordt de steeds ziekelijke huisvader aan zijn lot overgelaten; geen geneesheer wordt gehaald, geene geneesmiddelen aangewend; slechts meent men uit bezorgdheid geen enkelen arbeid hem te mogen toevertrouwen en slaapt hij steeds rustiger in op ledigheid, des duivels oorkussen; aan herstel van zijn gestel wordt gewanhoopt; elke ingrijpende maatregel zou immers slechts den dood verhaasten van hem, — dien men „liefheeft". Alzoo teert hij weg; en terwijl dit geschiedt, blijkt het, dat de kinderen, allengs geheel ontwend aan vaderlijke zorg, opvoeding, ja zelfs aan zijn blik, zich zeer los van hem beginnen te gevoelen, eerbiedshalve hem nog soms groeten, gemakshalve zich naar hem noemen, maar gansch niet meer naar huis verlangen, indien zij bij een der medelijdende buren eenigen tijd zijn opgenomen. Deze buren zeiven wenschen in het belang niet slechts van den zieke, maar ook van de kinderen, dat hij „niet lang meer zal behoeven te lijden." Immers voor onderhoud en opvoeding deugt hij toch niet meer en op dit oogenblik is zijne aanwezigheid slechts een hinderpaal voor het geheele beheer in dat huis, terwijl men nu welstaanshalve nog moet erkennen, dat eigenlijk hij het hoofd des gezins is.... Ware hij gestorven, dan konde het huis voor afbraak verkocht en in plaats daarvan een nieuw gesticht voor de „weezen" worden opgericht, waarheen dan tevens uit andere in dergelijke omstandigheden verkeerende gezinnen de kinderen konden worden overgebracht, zonder dat men zich verder om de respectievelijke ouders behoefde te bekommeren, dan in den weg van aanklacht, — dat zij de kinderen zoo verwaarloosd hadden!

Acht men deze vergelijking in geen enkel opzicht ook maar op eenigen arbeid der „Binnenlandsche Zending" toepasselijk, verneem dan uit de slotsom van Dr. Heldrings dissertatie: „Inwendige Zending en Gemeente" (blz. 181) deze diagnose: „De kerk eindelijk dat eeuwenoude, maar in veler oog wrakke gebouw, mist levensvatbaarheid. Zij staat daar te midden van de maatschappij en mist de kracht om als de zuurdeeg de maten meels te doortrekken. In

Sluiten