Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

geen andere middelen tot vermeerdering van inkomsten bezit.

Toch was men in middelen niet uitgeput en vandaar hetgeen nu achter de schermen door collectereizen, op bestuursvergaderingen of in het openbaar door loterijen, tombola's, bazars enz. geschiedt. Zelf moet men wellicht eens eene collectereis gemaakt, collectanten meermalen ontvangen hebben, bestuurslid geweest zijn eener Christelijke inrichting, die met tekorten te worstelen heeft, om te ondervinden, hoe ongeestelijk, zoo niet ongevoelig, ja oukiesch soms gesproken of gehandeld wordt, waar op genoemde wijzen men tracht een fonds tot stand te brengen of in den nood te voorzien. Een collectereis! hoe geheel anders wordt ze dikwijls door collectant en gevers (in verschillende klassen van mildheid gewoonlijk verdeeld,) opgevat dan in 1 Cor. 16 : 1, 2 en 2 Cor. 9, 5—7 voorgeschreven is. Ongetwijfeld kunnen aan beide zijden vruchten, ook geestelijke, geplukt worden; ik ook mocht dat menigmalen ondervinden. Maar geestelijke, ja zedelijke, gevaren dreigen niet minder aan beide zijden; en dit wordt soms niet genoeg bedacht. Zou er evenzoo wel altijd zegen rusten op de pogingen van menig bestuurslid, om dezen en genen nog eens „aan te klampen" door bezoeken en bij anderen door telkens nieuwe Circulaires en Verslagen, meestal van inschrijvingsbilletten voorzien, kunstmatig de verdoofde belangstelling op te wekken?

Erger wordt het echter nog, wanneer men door loterijen, tombola's, bazars, fancy-fairs, concerten, uitvoeringen enz. op allerlei prikkelende wijzen de milddadigheid, schoon daarom nog niet de barmhartigheid, tracht te doen ontvonken. Alle Loterijen zijn zeker niet op ééne lijn te stellen, en .spelen om geld staat veel lager dan verloting van eenig voorwerp ten behoeve van eenige instelling; toch blijft de schaduwzijde ook hier, dat de hebzucht moet opgewekt worden om tot weldoen aan te moedigen. Echter heb ik hier bovenal het oog op de bazars, die steeds meer in zwang komen. Te kwader ure werd beraadslaagd: „laat ons het kwade doen, opdat het goede daaruit kome," zonder op het oordeel te letten, dat Rom. 3 : 8 daarover vermeldt. Of zouden niet slechts uit economisch maar ook uit zedelijk oogpunt aan deze bazars ten voordeele van Zendings-Vereenigingen en Gestichten geen gevaren verbonden zijn? Wordt er bij dergelijke gelegenheden niet dikwijls meer tentoongesteld dan de uitgestalde voorwerpen? Zouden de verkoopsters niet dikwijls ingetogenheid, opregtheid, eenvoud inboeten? En zoude men van alle koopers gaarne giften mogen

Sluiten