Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

blijven, dat slechts de doodelijk kranke lijders worden opgenomen, niet de ziektekiemen zelf bestreden, slechts de gevolgen niet de oorzaken, de slachtoffers en medeplichtigen, dikwijls niet eens de hoofdschuldigen onder haar bereik komen. Intusschen, bedriegt de waarneming niet, dan is deze overtuiging maar al te weinig levendig. Integendeel; eer is er een zekere trots, eene zelfvoldaanheid met hetgeen de Binnenlandsche Zending is, zij het dan ook dat Gode daarvoor de dank wordt gebracht, aanwezig. Er wordt te weinig beleden, „dat het helpen waar de nood reeds is uitgebroken, het strijden tegen een geïsoleerd maatschappelijk kwaad, het redden van den enkele nog iets anders is, dan een aanvatten met heilige bezieling des geloofs van het maatschappelijk vraagstuk zelf" (zie boven blz. 7). M. a. w. de Binnenlandsche Zending ontbeert maar al te veel datgene, waardoor het eenzijdige, onvoldoende en oppervlakkige van haar streven uitnemende aanvulling zou verkrijgen: het getuigend karakter wordt gemist.

Ook hier sluit ik mij liefst aan bij eenige zinsneden van O. G. Heldring, ten betooge, dat gebreken die thans allengs meer voor den dag treden en toch door slechts enkelen, tegen den grooten stroom in, van het erf der zending geweerd worden, reeds 30 jaar geleden, door haar baanbreker in ons land uitnemend werden ingezien.

„Als het Asyl Steenbeek," aldus liet zijn stichter zich reeds in het 5e Verslag (Magdalena 1853 p. 81) hooren, „aan het oogmerk zal voldoen, dan moet van daar uit, hoe langer, hoe krachtiger tegen de zonde der ontucht getuigd worden. Nog dringt dit getuigenis niet zoo krachtig als het doen moest tot het volk door. En waarom niet? Ómdat het Asyl Steenbeek nog meer het reddend dan het getuigend karakter heeft aangenomen. En toch is het laatste onze hoofdroeping." — Ziedaar ondubbelzinnige taal: het getuigend karakter, de hoofdroeping! — Eenige regelen verder: „Waarom neemt het Christendom in onze dagen zoo gaarne het reddend filantropische karakter, zoo ongaarne het getuigend karakter aan? Tot het eerste behoort niet veel meer dan het volgen der neigingen des harten, tot het laatste behoort ontzaggelijk veel zelfverloochening, verheffing des geloofs, ware liefde, want een getuige moet strijden; hij rukt het schoonschijnende masker af, hij schudt de valsche rust der ziel, hij brengt het hart tot vragen, die gewis zeer moeielijk voor de regtbank van een teeder geweten te beantwoorden zijn." — Wederom forsch uitgedrukt, maar daarom niet minder waar en ook voor onze dagen toepasselijk. — Nog

Sluiten