Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

één citaat. Vijf jaren later klonk het bij den terugblik op het tienjarig bestaan van Steenbeek, in het 10e Verslag (Magdalena 1858 p. 180): „De strijd op Steenbeek geopend, heeft geen minder doel, dan de zonde der Prostitutie in het hart aan te grijpen.... Het is als een zendelingspost in een heidensch land, zoo staat daar dat Asyl, in het midden der Prostitutie. Het verheft zijne gebouwen van jaar tot jaar krachtiger en wil het getuigenis afleggen: ik wil een strijd strijden, die eeuw in eeuw uit zal duren. Ik zal niet ophouden het weggedrevene weder te zoeken. Ik zal niet eindigen de ontfermende liefde te openbaren, maar ik zal ook getuigen tegen een christelijk volk, dat in zijn midden zulke afgoden dient en deze schandelijke zonde duldt. Ik zal niet eindigen Kerk en Staat op te roepen mede den strijd te strijden. Ik zal in het volk trachten neer te leggen eene heilige verontwaardiging tegen zulke bij de wet gehandhaafde openbare zonde (Let wel!). Ik zal trachten de van God zwaar gestrafte en door vreeselijke ziekte geoordeelde zonde in hare ontzettende gedaante te openbaren. — Daartoe staat dat gebouw daar."

Aldus wees Heldring aan de Binnenlandsche Zending het getuigend karakter als hare hoofdroeping aan En hoe bracht hij dit beginsel in praktijk? De Verslagen van Steenbeek, de notulen der vergadering van haar hoofdbestuur, de debatten in gemeenteraden en Kamers, ja, Ministeriëele Circulaires en Staatsbladen bewijzen het. Om tot de laatsten mij te bepalen: ten gevolge der beweging niet slechts van Steenbeek, maar ook van de plaatselijke Vereenigingen uit, geleid of onderhouden, werd „de dienstbodenstand ontheven van de zware belasting op de achttienjarigen"; werd in 1856 een breedvoerig adres aan de Tweede Kamer ingediend, ten einde de gewenschte grondtrekken eener wetgeving tegen de Prostitutie aan te geven; verscheen in 1860 de bekende Circulaire-Godefroy in antwoord. op Heldring's brochure: „Is er nog slavernij in Nederland" enz. ').

Leg daarnaast de getuigenissen, die van Steenbeek uit aan het adres van Studenten en Hoogleeraren, Wetgevers en Staatslieden, Ouders en Voogden, Geneesheeren en Fabrikanten, ja tot bijkans alle standen en ambten der maatschappij uitgingen 2) en men gevoelt eenigszins, hoe de exponent der maatschappij leidde tot het onderzoek der factoren, de verpleging der zedelijk kranken tot bestrij-

1) Zie: de strijd tegen de Prostitutie in Nederland ('s Hage: Beschoor) p. 66—92.

2) 1. c. p. «3—109.

Sluiten