Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Wellicht doet men het best ook van dit euvel zoo al niet de verontschuldiging dan toch de verklaring mede te zoeken in de scheiding van kerk en Binnenlandsche Zending. Welke is toch het van God gegeven middel tot getuigen? Immers de prediking van het Woord Gods van kansel, in catechisatie enz. En ziet, is het nu niet merkwaardig, dat juist de beide Directeuren der Zettensche gestichten, die op dat getuigend karakter zulken nadruk legden, bedienaars des goddelijken Woords waren? Krachtens dit ambt gevoelden zij de roeping, maar ook, wat meer zegt, het recht, om zonder aanziens des persoons aller wege een kruistocht te prediken en ziet, de plaatselijke werkzaamheid, die Heldring overal in hetleven riep, ook op het gebied van getuigen, en de dicht bezette kerken, waarin de tegenwoordige Directeur overal mag optreden, al zijn Joh. 8 : 1—11, Matth. 12 : 29, Matth. 16 : 19, Ezech. 13 :10, 11a de veelbeteekenende teksten, bewijzen dat ook het niets en niemand sparend getuigen in den naam van den Heere God noch door de gemeente als in strijd met het ambt des dienaars, noch als ontijdig en onnoodig wordt beschouwd.1)

Intuschen, toen Heldring niet meer den stoot gaf werd het plaatselijk getuigen zwakker, en ook thans is de vrucht dier eivolle kerken daarom dikwijls luttel, omdat de prediker slechts een enkele maal optreedt en dus al ras weer de indruk wegsterft. Is het nu te verwonderen dat andere Directiën en Commissiën van stichtingen, die het ambt des Woords niet bezitten, aarzelen het getuigend karakter op den voorgrond te stellen en liever het reddend philanthropische karakter aannemen dan datgene waartoe, volgens Heldring, „ontzaggelijk veel zelfverloochening, verheffing des geloofs, ware liefde" behoort, maar ook eene zedelijke roeping, welke aan de meesten ontbreekt? Maar bewijst dit niet juist eveneens, dat een toestand wenschelijk wordt, waardoor de bedienaren des Woords in alle steden en dorpen, met het oog ook op den band tusschen Kerk en

1 Tot aanwijzing, dat ook op ander gebied dan dat der ontucht het getuigend karakter zich kan doen gelden, worde herinnerd aan het tweetal gewichtige bladzijden van den vorigen jaargang van dit Tijdschrift p. 372 en 373, ontleend aan het laatste Verslag der Vereeniging voor fabriekarbeidsters te Amsterdam. — En toch bestaat de Directie dezer Vereeniging niet uit mannen, maar uit — vrouwen. Is het niet tot beschaming, maar ook ter — navolging?

Trouwens ook in het Buitenland toonen Stócker te Berlijn, de Witt Talmage te New-York, Spurgeon te Londen, welke kracht er in dat getuigend karakter ligt tegenover de maatschappelijke nooden, ja! staatkundige gruwelen onzes tijds.

Sluiten