Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hartigheid, omdat men zelf barmhartigheid ervoer, het gansche vraagstuk zou tot veel kleiner verhoudingen teruggebracht zijn. Dezulken, immers in stilte arbeidend, behoeven noch begeeren eenig ambtelijk karakter, dan dat, wat zij als levende lidmaten van Christus bezitten: „gelijk men gaven ontvangen heeft, alzoo ze te bedienen aan de anderen, als goede uitdeelers der menigerlei genade Gods" (1 Petr. 4 : 10).

Niettemin blijven er velen over, die voor of in Vereenigingen, Stichtingen, Inrichtingen arbeiden of in wie eene inrichting als belichaamd is. Van dezulken geldt nu wellicht, dat zij dat ambtelijk karakter én behoeven én ook dikwijls begeeren. Zij behoeven het, niet slechts om vertrouwen te geven aan die buiten staan of ook vrijmoedigheid te hebben om op te treden; maar reeds omdat, gelijk Da Costa het in zijne Bijbellezing op Genesis (I blz. 133) zegt, „Alle arbeid buiten het beroep, of het ambt, of de bediening dien zegen niet heeft, dien de arbeid in het beroep in het ambt, in de bediening heeft. Deze geven aan alles houding en vastheid" Op geestige, soms scherpe wijze, heeft Heldring wederom gewezen op het improviseeren en proefnemen op het gebied" der philanthropie. Welnu, daarmede wordt waarlijk niet bedoeld den Heiligen Geest aan banden te leggen, waar Hij ook in den arbeid der barmhartigheid nieuwe terreinen doet ontginnen, nieuwe wegen opent, nieuwe doeleinden zich voorstelt. Wèl wordt gewaarschuwd tegen het ondoordacht zich begeven aan den arbeid, zonder besef van de verantwoording, die op ons rust, van de studie die daarvoor noodig is. Het ambt alleen kan dit niet geven, wel de gedachte verlevendigen, dat de arbeid der Binnenl. Zending niet als „liefhebberij" maar als een „beroeping" (1 Cor. 7 : 21) moet worden opgevat' en uitgevoerd, waardoor men middellijk ook lichter voor allerlei gevaren behoed wordt, welke dat improviseerend optreden oplevert. Bovendien gevoelt de arbeider zich dan veeleer door God geroepen tot de taak, die hem wacht en ontstaat de zoo noodige nauwere band met gemeente en hulpbehoevenden.

Trouwens tal van Vereenigingen en Stichtingen hebben instinctmatig dit gevoeld. De zendingsvereenigingen gingen vóór en „zegenden" de zendelingen „in'\ Wèl gewoonlijk op eene wijze, die kerkrechtelijk niet zuiver is, maar juist dit sproot voort uit het gemis van verband met de Kerk. De diakonessenhuizen volgden, waarin zelfs elk der „Zusters" wordt „ingezegend", en nu allengs gevoelt men ook in andere Stichtingen, Asylen en Ver-

Sluiten