Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

naar Handel. 6:3 mannen verkozen worden, „die goede getuigenis hebben, vol des Heiligen Geestes en der wijsheid, welke wij mogen stellen over deze noodige zaak". — Waar echter het-geestelijk en ook reeds uitwendig gereformeerde leven begon te verminderen, moest dit ook op het diakonale ambt invloed oefenen. — Want inderdaad hoe wenschelijk, ja noodig het bovenal ook zij bij armenverzorging, bedeeling, hulpverschaffing aan ellendigen niet tot sleur te vervallen, er is vooral genade noodig, om juist als diaken daartoe niet te komen.— Daarbij kwam, dat met het voortwoekeren der revolutionaire denkbeelden en het verminderen der barmhartigheid in huis, familie en andere kringen de sociale nooden toe-, de opbrengst der collecten en anderen fondsen afnamen; van daar ook, dat de diakonie zich allengs er toe moest bepalen zóó zuinig mogelijk te bedeelen of met nog meer wantrouwen, minder hart haar arbeid te vervullen; en zóó ontstonden de schreiende toestanden, waarvan onze groote steden, maar helaas! ook de dorpen gewagen: de meeste weeshuizen in een staat, waarvan in dit tijdschrift I p. 335 werd verklaard: „in 't kort, met de christelijke opvoeding der weezen is het treurig gesteld"; armen niet meer opgezocht, maar opgeroepen; de arbeid dikwijls meer administratie dan praktijk der barmhartigheid; bedeelden als een soort melaatschen afgezonderd en in afzonderlijke diensten op het appèl geroepen; uitdeeling van geld, kleederen, levensbehoeften regel, andere „goede middelen, tot hulp der armen", als werkverschaffing enz. uitzondering; en eindelijk, alles wat niet strikt tot de categorie „armen" behoort, overgelaten, zoodat vreemdelingen, zieken, dooven, blinden, krankzinnigen , enz. onverzorgd daarheen gaan!

In dien toestand bracht de Heere eene tuchtroede over onze doodelijk kranke diakoniën, om haar uit den slaap wakker te schudden: de „wet op het Burgerlijk Armbestuur" van 28 Juni 1854 (Staatsblad No. 100). In onze dagen, waarin de diakonie soms maar al te gaarne op dat armbestuur overdraagt, wat niet strikt genomen tot haar eigen verplichting behoort, en waarin het burgerlijk armbestuur door velen als een sieraad onzer 19de Eeuw wordt beschouwd, kan men moeielijk beseffen, welke storm nog geen dertig jaar geleden tegen het ontwerp dier wet opstak.

Toch was daartoe wel reden. Er was een tijd geweest, dat de kerkelijke, ja uitsluitend gereformeerde, diakonieën bijna alle armenverzorging als eeretaak aan zich verbonden. Door dit ontwerp werd niet slechts in de daad, — dit was reeds lang geschied —, maar ook

Sluiten