Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De kerk, weleer alom geëerd,

Is thans miskend, gehoond, veracht,

Bh' buitenlanders diep verneerd,

Gekomen onder 'svyands macht.

Maar 't licht der Waarheid brak weer door,

Het eerst bij u, bij ons daarna;

Doch niet aan ons den dank daarvoor:

Geprezen slechts zij Gods gena.

Hh' gaf toch nog, zoo juiche onze mond,

In 't heilig zaad een steunsel van 't Verbond.

Het eerst kwam over uwe kringen

De adem van den Heilgen Geest;

Waarvan wh' wel gevoel ontvingen,

Schoon 'tgeen ontwaking is geweest.

Maar toen de Heer' dat eindlijk had geschonken,

Deed bh' 't besef van grooter zondeschuld,

Nog meerder levensgloed ons hart ontvonken,

En 't werd met liefde jegens u vervuld.

Wh' wilden vroeger wel uw moed niet wraken,

Toch is uw daad door ons betreurd geweest;

Thans zeggen wij: die broedren, die toen braken,

Zij hadden juister inzicht door Gods Geest.

Wij zagen in dat wij wel moesten komen

Op de door u reeds lang getrokken lijn;

Waarom wij ook geen oogenblik meer schroomen,

Maar sterk begeeren met u een te zijn.

Wh' moeten alle scheidsmuur laten vallen,

En strijden voor de eere Gods te zaam.

Laat ons niet rusten voor de kerken allen

Vereenigd zijn in 'sHeeren vrees en Naam.

En, ach! wat zijn de zaken, die ons scheiden,

In 'tlicht van deze roeping toch gering!

Toch moet men zich, om die te weren, wijden

Aan 't pijnlijk werk der onderhandeling.

Sluiten