Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Rede van Ds. J. YAN ANDEL.

„Eens was er een ure van droevige maar,

Toen werden de broeders verstrooid van elkaar.

Het woord werd bevestigd: „ontwaak nu o zwaard!

En slaat nu den Herder, zijn schapen op aard,

Verdreven, vervolgd, ellendig, berooid,

Zij worden dan herwaarts en derwaarts verstrooid".

En, ziet, toen de Christus ter neer lag in 'tgraf,

Toen was het een kudde verstrooid, zonder staf.

Het moest wel, maar nadat de juichtoon weerklonk

Van 's Konings herleving, wat zegen toen schonk

Die blij maar zÜn kudde, toen niet meer verstrooid,

Niet langer wanhopig, ellendig, berooid.

Want dan zou op Christus de schijn zijn gebracht,

Alsof in het graf steeds hun Herder nog lag.

Zoo is het tot hiertoe met ons ook gegaan;

o, Denken wij heden met weemoed hieraan.

Wij hebben op Christus geladen den schijn,

Als of Hh" geen Herder der kudde kon zijn —

Wij, die zh'n herleving belijden te zaam —

Wh' brachten gestadig dien smaad op zijn Naam.

Maar God zij geprezem Hij wentelt dien af;

Vergadert zijn schapen bijeen met zijn staf.

Een kiem is ontsproten die wast tot een plant

Van lieflijke eenheid gezien in het land.

God wees ons wel eerder hei zuivere spoor;

Doch gaf u in 'tharte te roepen — o hoor!

Ja, hoort ons, o broeders, en gaan wij te zaam,

Dat wij ons vereenen tot eer van Gods Naam!

Ja, dierbare broeders, vrij hoorden u wel,

Al riept gij ook: broeders! ach, loopt niet zoo snel,

Al hadt ge uw vreeze geuit en gezegd :

Sluiten