Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zonen van Izaak — Ezau en Jacob — kunnen wijzen, waarin deze leer van verkiezing en verwerping ten grondslag ligt: „Jacob heb ik liefgehad, en Ezau heb ik gehaat." (Mal. 1:2, 3.)

• a •• t - (t •• :' : " " t

Bovendien had ik zeer vele schoone gezegden uit de profetiën en psalmen kunnen aanhalen, die, al was 't inzonderheid voor het uitverkoren volk Israël in de eerste plaats, nogtans ook doelen op degenen die uit het Heidendom tot het Koninkrijk van Jezus zouden gebracht worden. Zie Jezaja 43 : 20; Jezaja 65 : 1, 9.

Desniettegenstaande meen ik dat we kunnen volstaan met de voornoemde aangehaalde bewijsplaatsen. Hebben we dus nagegaan — hoe ondoorgrondelijk het leerstuk der Praedestinatie ook wezen moge — dat het nogtans gegrond is op Gods Woord en de geloofsbelijdenis der Kerk; hebben we mogen toetsen en onderzoeken hoe het den zwakken sterveling past en betaamt om als een nederig kind en niet als een wijsgeer met de bedorvene menschelijke rede deze leer der Verkiezing en Verwerping geloovig aan te nemen, zoo willen we nu voortgaan om ten andere te overwegen welke de beste uitleggingen, aan- en terecht wijzingen kunnen zijn om dit leerstuk niet nhorrible, godonteerend en afschuwelijk" te heeten, maar integendeel geheimzinnig en vertroostend voor den ellendigen zondaar ■— die een waar Christen, een kind Gods is — om eenmaal in den hemel gelukkig te worden.

Sluiten