Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

jong of oud, vroeg of laat, in de stilte of in een daverend geluid des donders, moet hij zijn geestelijken toestand — die ellendig, hopeloos en doodelijk is — hebben leeren kennen. Als afgedwaalden en geestelijk verlorenen en dooden, heeft men dan mogen bidden: „Vader! ik heb gezondigd tegen den hemel en tegen U en ik ben niet meer waardig Uw kind genaamd te worden." Als blinden heeft men mogen roepen: „Heere Jezus! gij Zone Davids! ontferm U mijner!" en Hij stond stil en luisterde naar den' ootmoedigen bidder en zeide: „Wat wilt gij dat Ik u doen zal?" En zijn antwoord werd gehoord: „Heere! dat ik weder ziende mocht worden!"

Als geestelijke melaatschen gevoelde men behoefte aan genezing; men wendde zich tot Jezus den Hemelschen Geneesmeester met de bede: „Heere! indien Gij wilt, Gij kunt mij reinigen!" — Zoo is men dan door Gods genade en barmhartigheid op den eersten geestelijken trap van zelfkennis mogen komen, waarvan reeds de oude godgeleerden leerden: liet eerste stuk des Christens dat hij te leeren heeft is, „hoe groot mijne zonden en ellenden zijn;" en waardoor de Wet van God hem als een schuldigen en doemwaardigen zondaar veroordeelde.

Nu gaan we over tot de behandeling van den tweeden trap. Juist, zooals het met den leerling op school is die eerst de letters moet kennen, wil hij vervolgens overgaan tot de spel- en leeskunst en de beoefening van andere kundigheden, evenzoo moet dit in het leven van iederen begenadigden zondaar aanschouwd worden. Ook hij heeft niet alleen

Sluiten