Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

maar ook dan nog niet alsof die vroegere bepaling niet meer van kracht zou wezen. Wat eenmaal verordend en bepaald werd, blijft voor alle tijden van kracht, of voor die tijden, die noodzakelijk eene of andere bepalingen begrenzen. De ceremonieele bepalingen beperken zich, door haar eigen wezen, bij den dag der schaduwen. Maar de zedelijke Wet kan geen nieuwe verordening noodig hebben, daar het -gebied der zedelijke dingen zich aan geen bedeelingen stoort. Krachtens haar eigendommelijk wezen voleindigt ze haar loopbaan niet, zoolang de zedelijke verantwoordelijkheid voortduurt. Na hare verordening op Sin ai—die we liefst bestempelen als hare vormelijke belichaming in woorden—mag ze weer voor de aandacht gesteld worden als met nieuwe helderheid en nadruk—zelfs als opgeroepen worden uit het graf, waarin menschelijke vergetelheid haar begraven had. Maar eene nieuwe verordening van die Wet, op Horeb, te midden van de wonderbaarste teekenen der Goddelijke majesteit uitgevaardigd, zou onnoodig, zou onverstaanbaar mogen heeten.

En wat het vierde gebod betreft, dat heenwijst naar des Scheppers voorbeeld als grond en aanbinding voor het Sabbats-bevel—eilieve, hoe zou' dat toch eene nieuwe verordening immer of ooit kunnen vorderen, om van kracht te zijn? Dat voorbeeld is en blijft toch immers van kracht voor den naar Gods beeld geschapenen mensch?

Ronduit verklaren wij, dat er in heel het N. T. geen spoor of schaduw van eene nieuwe verordening van eenig zedelijk bevel gevonden wordt.

De Berg-rede, waarop men zich beroept, is Messiaansche uitlegging van de vroeger uitgevaardigde Wet—maar' geen nieuwe verordening van eenig deel derzelve.

En in Bom. 13 : 9 en Eph. 6 : 3, Jberoept zich een Apostel op den vorm der aloude Wet; niet maar alleen op» de daarin aangegevene beginselen, maar op de vormelijke bevelen zelve, als nog gezaghebbend.

Hier zouden we er op mogen drukken, dat geheel de N.

Sluiten