Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Testamentische gemeente in den oud-Israelietischen. stam is ingelijfd geworden (Eom. 11 : 17.) Daarmede is zij dan ook, gelijk de proselieten van ouds, onder dezelfde wezenlijke en blijvende verordeningen gesteld, waaronder Israël stond. Tenzij dan het geloovig Israël, dat in de N. Testamentische gemeente plaats heeft, in den door ons bestredenen zin, van de Wet vrijgesteld is, en van den Sabbat is ontslagen, dan moet ook de gemeente des N. T. in haar geheel door het vierde gebod—die formuleering van dezedelijke verantwoordelijkheid in de schepping reeds te» grondslag gelegd—aan de viering van den Sabbat gehouden zijn. "Want in Christus Jezus is noch jood noch griek."..

Maar dat is dan nog de vraag—werd geloovig Israël ontslagen?

Men houdt nog aan met het pleidooi voor Evangelische vrijheid. En daarmede beschouwt men het door ons verdedigde standpunt omtrent de Wet in haar geheel, en het vierde gebod in het bijzonder, als van blijvend gezag, in onverzoenlijken strijd. Laat ons zien, waar het hapert.

Op de christelijke vrijheid zijn wij verliefd, en met heilige jaloerschheid wenschen we voor haar te ijveren. Zij werd ons aangebracht door het bloed des Heeren, en door eeuwige genade ten rijken geschenke gegeven, als een onschatbaar kleinood. Maar ook hebben wij te zorgen, dat haregrenzen niet overschreden worden. Ook deze vrijheid heeft haar beperking. De verantwoordelijkheid van den mensch, om het Goddelijke voorbeeld na te volgen, wordt er niet door verzwakt. Het gezag van het vierde gebod wordt er niet door opgeheven-, noch wordt daardoor weggenomen, de roeping, om den wezenlijken Sabbat te houden.

Het onderscheid tusschen zedelijke en ceremonieele wetten wordt bestreden. Maar, ondanks deze bestrijding, drukken wij op dat onderscheid in dit verband. Die dat onderscheid ontkent, zal in zijn verklaring van althans sommige passages in de Brieven van Paulns droevig mistasten. Men neme maar als voorbeelden Col. 2 : 14.-17 in vergelij-

Sluiten