Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

throon Gods en dienen hem dag en nacht in zijnen tempel." God te dienen is zalig; dit leerden zij op aarde, toen zij God in Christus leerden kennen. Toch viel het hun toen moeilijk, en kostte het hun strijd; maar nu kunnen zij het naar den lust hunner harten zonder tusschenpoos, onvermoeid, „dag en nacht," daar waar geen nacht is, ongestoord, altijd, „in Gods tempel," daarboven, waardeHoogepriester voor hen inging en waar de hemelsche Peesten gevierd worden.

„En die op den throon zit zal hen overschaduwen." Hij zal een tent, een woning over hen zijn, om hen te beschutten. Zoo was het beloofd. Jes. 4: 5, 6:

„En de Heere zal over alle woning van den berg Sion, en over hare vergaderingen, scheppen eene wolk des daags, en eenen rook, en den glans eens vlammenden vuurs des nachts; want over alles wat heerlijk is, zal eene beschutting wezen.

En daar zal eene hut zijn tot een schaduw des daags tegen de hitte, en tot een toevlucht en tot eene verberging tegen den vloed en tegen den regen." Zoo zal het zijn; ten volle zal God daar bij hen wonen en onder hen wandelen, Hij zal hun God zijn en zij zullen zijn volk zijn.

„Zij zullen niet meer hongeren noch dorsten, noch de zon zal op hen niet vallen, noch eenige hitte." Vroeger dus hebben zij geleden honger, dorst, hitte. Velen hebben dit letterlijk ondervonden! O wat al zorg hadden zij voor hun brood, wat al arbeid en moeite levert de aarde op. Wij menschen weten nu eenmaal niet beter; vooral in goede dagen, bij gezondheid en rijken voorraad, kunnen wij ons niet voorstellen, hoe ellendig het er kan uitzien bij velen. Maar indien wij ééns bij die groote schare geweest waren, zouden wij hier in de beste dagen het nog maar zeer bezwaarlijk vinden. Zelfs de hoogstgeplaatsten hebben dikwijls vele en velerlei zorgen voor 't uitwendige. En dan de geestelijke ellende; de honger en dorst naar

Sluiten