Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

worden. Waar dit niet het geval is, daar wordt het werk niet alleen niet erkend, maar heeft bovendien oordeel, treurigheid en dood ten gevolge! God laat zich niet bespotten. „Wat een mensch zaait, aal hij ook maaien."

Hoezeer hebben de Christenen dan toe te zien. Hoe nauwgezet hebben zij te onderzoeken, of zij den eenvoudigen, van God aangegeven weg bewandelen, opdat zij niet, gelijk David, de tegenwoordigheid Gods zouden derven, en zelfs treurigheid, ellende en dood over zichzelven en anderen brengen!

Doch is God een God des oordeels, Hij is ook een God van genade en barmhartigheid. Oordeel is voor Hem een ongewoon, barmhartigheid bewijzen een gewoon werk; „en de barmhartigheid roemt tegen het oordeel!" Zoo vinden wij het ook hier. Hiram, de heidensche koning van Tyrus, zond boden tot David en cederhout en steenhouwers en timmerlieden, om hem een huis te bouwen. (1 Kron. XTV: 1.) Zoo betoont de Heere aan David de vrijmacht zijner genade, daar Hij dezen heidenschen koning verwekte om hem te helpen een huis te bouwen, hoewel David, door tegen het woord en den wil van God te handelen, God ter zijde gesteld had. „Barmhartigheid roemt tegen het oordeel." Als de Heere tuchtigt, dan is het tot ons nut; en zeker gevoelde David dit; en werd hij daardoor voor de genadige tusschenkomst Gods in de openbaring zijner bijzondere liefde toebereid. De koning van Tyrus schijnt door zijne handeling te kennen te geven, dat hij in David niet alleen den Koning van Israël, maar den door God gezalfden en aangestelden Koning erkende. Hoe liefelijk moet dit voor het hart van David geweest zijn, en welk een openbaring van goddelijke goedheid treedt in dit alles voor onze oogen! Doch de Heere deed meer. Wij lezen: „En David bekende, dat de Heere hem als Koning over Israël bevestigd had, en dat zijn koninkrijk ten hoogste verheven werd om Zijns volks Israëls wil." (vs. 2.) Het voor David gebouwde huis mocht hem een bewijs van Gods goedheid geweest zijn., welke hem door een verborgen kanaal toestroomde;

Sluiten