Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ook het volk in den naam des Heeren. „Hij deelde een iegelijk in Israël, van den man tot de vrouw, een iegelijk een bol broods, en een schoon stuk vleesch, en een flesch wijn. En hij stelde voor de ark des Heeren sommigen uit de Levieten tot dienaars, en dat, om den God Israëls te vermelden, te loven en te prijzen, (vers 3, 4.) Hoe liefelijk is dit geklank in tegenstelling van de klacht van David, toen de Heere ter oorzake zijner ongehoorzaamheid een scheure gedaan had!

Wij vinden hier ook een uiterst heerlijke en belangrijke zaak voorgesteld, namelijk het duizendjarig rijk in heerlijkheid. Hier wordt ons voor oogen geschilderd de terugkeer vol majesteit van den Zoon des menschen in zijne eigene heerlijkheid, alsook in de heerlijkheid des Vaders, der heilige engelen en van zijne gemeente. Nadat het opbrengen van de Arke Gods naar Gods Woord in alle feestelijkheid voleindigd was, lezen wij : „Te dienzei ven dage gaf David ten eerste dezen psalm om den Heere te loven, door de dienst yan Asaf en zijne broederen." (vers 7.) Zijne eerste gedachte is noch aan de regeering noch aan de heerlijkheid, maar aan den Heere zeiven gewijd. Hij zeide: „Looft den Heere, roept zijnen naam aan! Roemt u in den naam zijner heiligheid; dat zich het hart dergenen, die den Heere zoeken, verblijde. Vraagt naar den Heere en zijne sterkte, zoekt zijn aangezicht geduriglijk; Gedenkt zijner wonderwerken, die Hij gedaan heeft, zijne wonderteekenen en de oordeelen zijns monds." (vers 8—12.) En van de tweede persoonlijke wederkomst des Heeren zegt hij: „dat men onder de heidenen zegge: De Heere regeert.... omdat Hij komt om de aarde te richten". (vers 31, 33.) Hier hebben wij derhalve de verschijning en de heerlijkheid van het rijk van den waren Zoon Davids, den Koning der koningen, den Heer der heeren! Dan zal het vertrapte Israël niet langer verlaten zijn, en zullen ook de volken gezegend worden. „Vertelt zijne eer onder de heidenen, zijne wonderwerken onder alle volken. Want de Heere is groot en zeer te prijzen, en Hij is vreeselijk boven alle goden. Want al de goden der volken

Sluiten