Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

3. Staan wij in de derde plaats bij het godsdienstjuk stil.

Bij de beschouwing der Heilige Schrift vinden wij een menigte plaatsen, die ons den stelligen geest van afzon' dering voorstellen, welken het volk van God steeds moet kenmerken. Hetzij wij onze aandacht bepalen bij het Oude Testament, waar wij de betrekkingen en handelingen van God met zijn aardsch volk Israël vinden, hetzij wij onze blikken slaan in het Nieuwe Testament, waar wij Gods handelingen en betrekkingen met zijn hemelsch volk, de Gemeente, aantreffen, overal treedt de volkomen afzondering van hen, die God toebehooren, helder aan het licht. Het standpunt van Israël wordt ons in de profetie van Bileam aangeduid, als hij zegt: „Ziet, dat volk zal alleen wonen, en het zal onder de Heidenen niet gerekend worden." (Num. XXXIH : 9.) Hunne plaats was buiten het bereik van alle volken der aarde, en zij waren voor de verwezenlijking dezer afzondering verantwoordelijk. Door al de vijf boeken van Mozes worden zij hieromtrent onderwezen, gewaarschuwd en bemoedigd; en in de Psalmen en Profeten vinden wij de mededeeling van hun verlaten van die plaats der afzondering — een zonde, die, gelijk wij weten, de zwaarste oordeelen van God over hun hoofd heeft doen komen.

Ditzelfde geldt, en dat wel in veel hoogere mate, voor het hemelsche volk Gods, de Gemeente, het lichaam van Christus, bestaande uit alle geloovigen. Ook zij zijn een afgezonderd volk. Onderzoeken wij nu, wat de grond is van deze afzondering. Een afzondering op grond van hetgeen wij zijn, is hoogst verschillend van een afzondering op grond van hetgeen God is. Het eerste maakt den mensch tot een farizeër, het laatste maakt hem tot een heilige. Indien ik tot iemand zou zeggen: „Maak plaats, want ik ben heiliger dan gij!" zoo zou ik

Sluiten