is toegevoegd aan uw favorieten.

Uw werk

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

verlangen, daarom is het zoo goed, wanneer die gemeente in kalme rust de weldaden Gods overpeinst.

Vooral een dag als 'deze mag mede daarom geenszins ongemerkt voorbijgaan; een dag als deze roept ons toe stil te staan op den weg, om met een dankbaar oog terug te blikken naar het verleden, om met een ootmoedig hart te schouwen naar het heden en dan met nieuwen moed, in het geloof, den weg der toekomst te betreden.

Vijftig jaren is het geleden, dat deze gemeente het levenslicht aanschouwen mocht.

Vijftig jaren is het geleden, toen door onze vaderen op deze plaats de ambten werden ingesteld.

Vijftig jaren is het geleden, dat Christus, de Koning Zijner kerk, deze gemeente in het aanzijn riep.

En nu is er, ziende op die vijftig jaren, dankenstof te over om God te prijzen, om het loflied op de lippen te nemen en te jubelen: „Loof, loof mijn ziel den Hoorder der gebeden, vergeet nooit een van Zijn weldadigheden, vergeet ze niet, 't is God, die ze u bewees»"

Maar ofschoon dat de grondtoon voor deze ure konde zijn, ofschoon dit voorzeker leeft in uw hart, er is niet slechts reden God te loven, er is tevens reden tot ootmoedig gebed, terwijl ik die beide gedachten nader wensch te ontvouwen naar aanleiding van ons tekstwoord, dat ge leest in Habakuk 3 : 2b:

„Uw werk, o Heere! behoud dat in het leven in het midden der jaren."

De profeet Habakuk trad op in het rijk van Juda. hoogst waarschijnlijk ten tijde van koning Josia. ')

Het was dus voor het uiterlijke een goede tijd, wijl losia het werk der hervorming met kracht had doorgezet.

Toch was het niet alles goud wat er blonk en bleef het hart van velen onder het volk onvernieuwd. Assyrië is tot nog toe de vijand geweest; de Heere toont aan Habakuk, dat er straks een ander volk zal opstaan, n.1. het volk der Chaldeën, die dienst moeten doen als roede om het volk des Heeren te tuchtigen.

Die boodschap heeft de profeet te brengen, maar die boodschap klinkt het volk vreemd in de ooren.

Immers zoo lezen we in hoofdstuk 1:5: „Ziet onder de heidenen en aanschouwt en verwondert u, verwondert u! want Ik werk

*) Volgens andere tijdens Jojakim.