Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ook wat het verleden aangaat, om de leiding Gods in de geschiedenis in het licht te stellen, om aan te toonen, hoe die geschiedenis vervulling is van Gods Raad. En dat doet Habakuk in dit 3e hoofdstuk.

In hoofdstuk 1:1—4 spreekt hij over het heden.

In hoofdstuk 1:5 — hoofdstuk 2 spreekt hij over de toekomst.

In hoofdstuk 3 spreekt hij voornamelijk over het verleden.

Daarin gewaagt hij van de wondere leiding Gods in de geschiedenis. Al de beelden, welke hij gebruikt, ontleent hij aan de groote daden Gods uit den len tijd van Israëls volksbestaan. In gedachten gaat hij met zijn volk mede vit Egypte, door de Schelfzee, door de woestijn tot in Kanaan. In vers 3—7 schildert hij, hoe de Heere tot Zijn volk komt onder machtige teekenen, 't zelfde wat we in Deut. lezen. In Deut. 33:2 zegt Mozes: „De Heere is van Sinaï gekomen en is henlieden opgegaan van Seïr. Hij is blinkende verschenen van het gebergte Paran." En ook Habakuk ziet daarop terug als hij betuigt: „God kwam van Theman en de Heilige van den berg Paran," en zoo geweldig was dit komen van den Allerhoogste tot Zijn volk, dat de rondom wonende volkeren beefden: „Ik zag de tenten van Kusan onder de ijdelheid, de gordijnen des lands van Midian schudden." In vers 8—11 wordt dit nader uitgewerkt en dan in vers 12—15 spreekt de profeet over het doel van Gods komst, dat is om Zijn volk te verlossen, vers 13: „Gij toogt uit tot verlossing Uws volks, tot verlossing met Uwen Gezalfde," en om de vijanden te verdelgen, vers 12, want „Met gramschap tradt Gij door het land, met toorn dorschtet Gij de heidenen."

En nu de bedoeling daarvan. Dat verleden sterkt hem voor de toekomst. Toen waren er vijanden, straks ook zijn er vijanden. Toen de Egyptenaren en andere volken, nu de Chaldeën. Welken naam ze echter ook mogen dragen, altemaal worden zij door één beginsel gedreven, door vijandschap tegen Gods volk, door vijandschap tegen God. Maar evenals God toen tot Zijn volk gekomen is ter verlossing, evenals God toen machtige en wondere daden heeft verricht, zoo ook leeft nog Diezelfde God, Die trouwe houdt in eeuwigheid, Die ook straks weer tot Zijn volk komt, zoodat de natiën beven en evenals te voren Zijn volk bevrijden zal. In die geschiedenis ziet de profeet dus niet menschenwerk, maar Gods werk, niet toeval of noodlot, maar Gods Raad en als hij dan ook de smeekbede opzendt: „Uw werk, o Heere! behoud dat in het leven in het midden der jaren,"

Sluiten