is toegevoegd aan uw favorieten.

Uw werk

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dan weten we dus, dan leert ons dus het verband, ja geheel dit gebed, dat in zijn hart leeft eene dankbare belijdenis van het machtige werk, dat God in vroegere dagen heeft gewrocht, toen Hij Zijn volk voerde uit Egypte met wonderen arm, toen Hij dat volk leidde door de woestijn met bewarende trouw, toen Hij het bracht in Kanaan, het land der rust.

En dat zelfde, gemeente, moet ook in ons hart worden gevonden en mag ook in ons hart geschreven staan: Het mag en het moet.

Het mag, want niet altoos mag het, immers er worden hier op aarde ook heel wat gedenkdagen gehouden, waarop niet in dien zin een werk Gods herdacht wordt.

Het moet, want dan eerst komen wij op de rechte plaats en ontvangt God de eer.

En nu is dit juist het heerlijke, dat Israël ten allen tijde weer een beeld is van de Nieuw-Testamentische gemeente, dat de geschiedenis van Israël een beeld vormt van de geschiedenis van de Kerk des Heeren.

Ze vormen immers beide één schoon geheel.

Nu kunnen we spreken van eene algemeene kerkgeschiedenis, we kunnen spreken van eene vaderlandsche kerkgeschiedenis, we kunnen spreken van eene geschiedenis van een afzonderlijke plaatselijke kerk.

Onze Geloofsbelijdenis zegt van de algemeene Christelijke kerk, dat „zij er geweest is van het begin der wereld af en er zijn zal tot het einde toe." Daar hebt ge het geheel.

De Oud-Testamentische gemeente en de Nieuw-Testamentische gemeente vormen de twee groote deelen. Van die laatste vormt de vaderlandsche kerkgeschiedenis weer een onderdeel en van deze vormt de geschiedenis dezer gemeente een onderdeel, terwijl allen dit gemeen hebben, dat ze hebben één zelfden strijd, één zelfde worsteling, één Hoofd, één Koning, dat ze zijn één werk Gods.

Dat geldt van het groote, niet minder geldt dit van het kleine. Hierop hebben wij te letten. Volgens het oordeel van een onzer voormannen zijn het juist de geschiedbeschrijvingen van een plaatselijke kerk, die de vaderlandsche kerkgeschiedenis moeten voeden en in het rechte spoor houden.

Zoo bezien moeten en mogen we dus spreken ook van de geschiedenis van onze kerk, van onze gemeente.

Geschiedenis! dat is maar niet eene samenvoeging van op zichzelf los staande feiten, die als een hoop steenen bij elkaar liggen, zonder orde, zonder eenheid.