Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

meestal onder toezicht van de predikanten. Wij moeten echter geen al te hoogen dunk ervan koesteren. De schoolmeesters, vooral ten platten lande, stonden gewoonlijk wat hun kennis betreft niet bijzonder hoog en het is bekend, dat protectie dikwijls meer tot hunne benoeming bijdroeg dan bekwaamheid. Het godsdienstonderwijs in de school bleef dan ook meestal beperkt tot het van buiten laten leeren van den catechismus, dien de kinderen in de kerk bij de middagpreek moesten kunnen opzeggen. Verder leerde men hun de twaalf artikelen des geloofs, de tien geboden en het Onze Vader, benevens wat bijbelsche geschiedenis, terwijl niet weinig tijd werd besteed aan het zingen van de Psalmen.

Men zou verwachten, dat de predikanten, ziende hoe gebrekkig het huisgezin en de school vaak in het godsdienstonderwijs voorzagen, zich met lust en ijver daarop hebben toegelegd. Het behoorde toch tot het werk, waarop zij beroepen waren. Aan opwekkingen en vermaningen om hierin getrouw te zijn, ontbrak het hun niet. Herhaaldelijk werden zij door de classen gewezen op hun verplichting in dezen en verschillende synoden drongen er meer dan eens op aan, dat er toch geregeld gecatechiseerd moest worden met kinderen, met jongelieden en met onwetenden van meergevorderden leeftijd. De Friesche kerk bepaalde zelfs, dat predikanten, die hierin nalatig bevonden werden, „van alle Classicale en Sijnodale Sessien en Digniteiten verstoken" zouden zijn. Toch schijnt door vele predikanten hieraan niet de noodige zorg besteed te zijn. De Leeuwarder predikant Herm. Witsius zegt, dat sommigen „suymachtigh in 't Catechiseeren" waren, waartegenover echter niet vergeten mag worden, dat anderen er zich met veel ijver op toelegden. Toch maakt het een droeven indruk, als wij zien, dat de Staten van Holland in eene aanschrijving van 29 Juli 1654 aan de classen de predikanten moesten opwekken en gelasten om „des Sondags, de namiddags

Sluiten