is toegevoegd aan je favorieten.

Het kerkelijk leven

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

den Heiligen Geest wordt tot stand gebracht. Daardoor wordt den gedoopte verzekerd, dat het offer van Christus hem ten goede komt en dat hij door het bloed en den Geest van Christus van al zijne zonden gewasschen is. Als uitwendig waterbad beteekent hij op zich zeiven niets, maar hij wijst op het bloed van Christus, dat van alle zonde reinigt, en is het merkteeken des verbonds, dat God met de zijnen aangaat. Als zoodanig moet hij aan de kinderen der geloovigen worden toegediend. Zij behooren dus door den doop, als teeken des verbonds, der Christelijke kerk ingelijfd en van de kinderen der ongeloovigen onderscheiden te worden. Absoluut noodig ter zaligheid is de doop dus niet, want hij is een teeken en zinnebeeld. Men verwierp alzoo den nooddoop, omdat daardoor „paapsche superstitie" bevorderd werd. Maar men mocht toch den doop niet nalaten, omdat men dan ongehoorzaam zou zijn aan 's Heeren bevel en den kinderen den zegen onthield, die in den doop ook voor hen was bereid.

De doop werd bediend des Zondags in de namiddaggodsdienstoefening der gemeente. Hij had plaats door besprenging met zuiver water, — ééns of driemaal, dat werd vrijgelaten, — in den naam des Vaders, des Zoons en des Heiligen Geestes. De bediening mocht alleen geschieden door een geordend predikant; in Friesland echter ook door een candidaat tot den heiligen dienst. De doop, in andere kerkgenootschappen, mits door een daartoe geordende toegediend, werd als een wettige doop erkend en behoefde dus niet herhaald te worden. De synode van Dordrecht van 1574 had als hare meening reeds uitgesproken, dat de kinderen zoo spoedig mogelijk gedoopt moesten worden „ten sij saecke datter eenighe sware oorsaecke sij om den doop eenen tijdt langh wt te stellen". Zij achtte het echter geen „wettelicke oorsaecke", indien men de doop uitstelde, opdat de moeder er bij tegenwoordig zou kunnen wezen. Toch hooren wij herhaaldelijk