Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

maar die zoo riepen, hadden zelf, blijkens hun ophitsenden toon, de Protestantsche nuchterheid verloren.

Er klonken echter ook andere stemmen. DeAmsterdamsche predikant Dr. L. S. P. Meijboom verhief de zijne tegen opgewondenheid, bitterheid en haat en prees de christelijke liefde aan, in herinnering brengende dat „met geen ander wapen dan met het wapen der waarheid" gestreden behoorde te worden. De Haagsche predikant Dr. C. E. van koetsveld vroeg, of het Protestantisme dan zoo zwak was, dat het naast Rome niet bestaan kon, en het licht, dat het verspreidde, zoo gering, dat het door den glans van een bisschopstoel wordt overschaduwd. Groen van Prinsterer verklaarde geen steun te begeeren, die gezocht werd „in iets, dat naar onrecht of onverdraagzaamheid gelijkt" en kon zich „niet vereenigen met de beschouwing van den Paus als vreemd souverein", daar deze, naar zijne meening, bij de herstelling der hiërarchie gehandeld had als „het geestelijk opperhoofd van een gedeelte der bevolking". En — om niet meer te noemen — de Algemeene Synodale Commissie der Ned. Herv. kerk wees den 22 April in een herderlijken brief aan de Herv. gemeenten op de „gelijkheid van alle godsdienstige gezindten voor de wet, zonder overheersching aan de eene of andere zijde" als „een grondregel van het Staatsregt, die zonder schade en onregt niet weer voor andere beginselen wijken kan. Ten gevolge daarvan — zoo schreef zij — behoort het buiten uwe of onze beoordeeling te blijven, of de Opperpriesters in de Roomsche kerk al of niet den naam en het kleed van Bisschop zullen dragen. In zoo verre de regeling dier aangelegenheid zuiver kerkelijk is, zij het aan de zorg der Regeering en den ijver onzer volksvertegenwoordigers overgelaten, of en in welke mate het grondwettig toezigt daarbij blijve uit te oefenen, maar de inwendige regeling van andere kerken behoort voor het minst van onze zijde niet betwist noch belemmerd te worden".

Sluiten