Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zijner prediking ligt wat anders, dat hem geeft die wonder* hjke rust, dat psychologisch evenwicht, dat hem maakt tot wat hij is. Die felle bewogenheid in Paulus' woorden is nog de deining van eigen bitteren zielestrijd, toen wilde zeeën van zonde hem dreigden te verzwelgen. Vandaar die opeen* stapeling van superlatieven bij Paulus, die pogingen om door de grilligste woordkombinaties uitdrukking te geven aan de intensiteit van zijn voelen.

Wie Paulus' brieven kent, weet wat ik bedoel. Ik herinner hier maar aan één plaats (2 Cor. 4:17), waar hij zeggen wil hoe groot de heerlijkheid is der verlossing, en waar hij woorden opstapelt: «een gansch zeer uitnemend eeuwig ge* wicht van heerlijkheid». Diezelfde hartstochtelijke uitdrukkings* wijzen vinden we bij Augustinus en Luther. God is voor Augustinus: het Allerbeste (= het Hoogste Goed). En Jezus zegt eenvoudig: God is goed, in den positivus. En zegt 't daarmee dieper en grooter dan welke superlatief ook. De superlatief drukt niet méér maar minder uit dan de positivus: het is een poging om de hoogte van den positivus te be* naderen. In de rustige, klare, simpele, positieve uitspraken van Christus ligt grooter diepte dan in de bewegelijke, woelige woordgolven van Paulus en Augustinus.

Maar dat hij 't zoo anders zegt, komt omdat hij anders is, omdat hij er anders tegenóver staat. Hij is niet gekomen langs denzelfden weg, heeft niet den zondestrijd doorstreden, en vergeving ontvangen, hij staat niet naast die herauten van zijn koninkrijk maar bóven hen.

Hij is niet maar een mensch als gij en ik. Hij zelf voelt zich ook anders. Dat straalt telkens door. Als hij Van God spreekt, spreekt hij niet van «onze Vader» — zich met de discipelen insluitend ** maar: «mijn Vader», of «uw Vader».' Hij is zich bewust dat zijn persoonlijke verhouding tot God een principieel andere is dan van welk mensch ook.

Sluiten