Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dat zij immer de gedachten van wetenschappelijke mannen ernstig hebben bezig gehouden. — De Bijbelsche en Kerkelijke geschiedenis verliest dan evenzeer haar bijzonder en gewijd karakter, en wordt anders niet dan een weinig beteekenend onderdeel der algemeene wereldgeschiedenis, te beschouwen geheel in hetzelfde licht. —En wat zal ik zeggen van de practische Theologie? Hij zal er zeker geen groote vlijt aan wijden, die zelf nog omtrent de gewigtigste waarheden in twijfel verkeerend, straks geroepen zal worden om een tog'tgenoot en gids te zijn voor anderen, misschien evenzeer twijfelend als hij. — Dat alles is voor de godgeleerde wetenschap van het Scepticisme te wachten; en wat de Christelijke Kerk betreft, het moet ieder in het oog vallen, dat zij zoomin op den negatieven grondslag van dezen twijfel kan worden gebouwd, als een pyramide of obelisk, onderst boven gekeerd, op haar spits kan worden nedergezet. Ik bid u, gelooft van mij niet, dat ik de Kerk tot een onveranderlijken stilstand zou willen veroordeelen; een volstrekte stilstand zou de dood der versteening zijn. Wenscht men in het godsdienstig leven der gemeente van chkisttjs vordering en ontwikkeling, ik zelf wensch die niet minder, maar ik zeg met vincentius libiotjs (1): „de vordering des geloofs moet hervorming, geen verandering of omverwerping zijn, indien het althans tot den eisch Van den waren vooruitgang behoort, dat iets overeenkomstig zijn eigen natuur worde ontwikkeld, en niet in iets geheel anders veranderd en opgelost." Het Scepticisme nu brengt in het geloofsleven der gemeente geen vordering, maar omverwerping voort; ja het begrip zelfs van Kerk en gemeente wordt vernietigd, Waar zijn beschouwing de heerschende wordt. De Kerk toch is

(1) Commonitorium, Cap. 28.

Sluiten