Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zoo niet tot een volkomen, dan toch. tot een regte en zuivere kennis van God, is hij afkeerig van alle eenzijdig intellectualisme, waardoor maar al te ligt een persoonlijke meening voor de waarheid zelve gehouden wordt. Het is het hart vooral, dat in hem den theoloog heeft gevormd, het hart, waaruit de uitgangen ook van zijn wetenschappelijk leven zijn, een hart van vurige liefde voor chbisttjs en de naasten vervuld, in 't welk luthers woord gegrift staat: //niet hij is de ware godgeleerde, die groote dingen weet en vele kan onderwijzen, maar die heilig en theologisch leeft." Krachtig zich vasthoudend aan het geloof, beoefent hij tevens die echte liberaliteit, die nergens anders dan in de school van christus geleerd wordt, en hoezeer van de heilige waarheid door hem beleden, onwrikbaar vast overtuigd, vergeet hij toch nimmer, dat hij slechts „ten deele" kan kennen. Aan zijne vrienden en bondgenooten zal hij zijn vrijheid en zelfstandigheid niet afstaan, aan zijn vijanden en tegenstanders geen minachting toonen; ook in hen, die hij om des gewetens wille moet bestrijden, merkt hij met belangstellende vreugde ieder edel streven op, in het diepst der ziel het woord van paulus bewarend, „ dat de dienstknecht van christus niet behoort te twisten, maar vriendelijk te zijn jegens allen." Criticus zal hij wezen, maar Scepticus niet; geloovig, maar daarom niet ligtgeloovig zijn. Door het geloof tot de wetenschap, en door de wetenschap tot het geloof, dat is zijne leuze, dat de weg, dien hij volgt, en waardoor de waarheid gedurig meer zijn eigendom wordt. Maar waartoe meer? Zoodanig zal de echte Godgeleerde zijn, die genezing wenscht aan te brengen aan de krankte van een twijfelende eeuw, en de voetstappen van christus en de Apostelen drukkend, anderen onderrigt 't geen hij zelf in de innerlijke gemeenschap met den Vader zich toege-

Sluiten