is toegevoegd aan je favorieten.

Drie tijdpreken

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zelfstandigheid: Wie zijt 'gij, dat gij over rnij heerschen zoudt? Ik ben van Christus, en Christus is van God!

Dit laatste woord was diep in het hart van Paulus gegraveerd. Hij bevond zich te Antiochië, toen Petrus zich zoo schikte naar die Joodschgezinde Christenen. Zal hij zwijgend toezien, toezien nu ook zijn 'geliefde Barnabas in den strik is gevallen? Onmogelijk. Wat was toch voorafgegaan. Te Jeruzalem hadden Jacobus en Johannes en Petrus zelf hem de regterhand der gemeenschap toegereikt, nadat zij kennis hadden bekomen van de genade, welke hem door God gegeven was, en ook Titus werd toen niet genoodzaakt zich te laten besnijden. Men kwam overeen, dat zij (Jacobus, Petrus en Johannes) onder de Joden zouden blijven arbeiden, en Paulus met Barnabas hetzelfde Evangehe als vroeger aan de Heidenen zou prediken, terwijl zij, die onder de Joden zouden arbeiden, dan toch wel geen anderen Christus zouden verkondigen; dat eindehjk onder dit alles de armen in de moedergemeente niet zouden worden vergeten. En wat doet Petrus nu?! Paulus móet spreken. Ziet de onafhankelijkheid van den discipel van Jezus met onverschrokken standvastigheid manmoedig gehandhaafd. „Als ik zag," schrijft Paulus, „dat zij niet regt wandelden naar de waarheid van het Evangehe, zeide ik tot Petrus in aller tegenwoordigheid: Indien gij, die een