Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

telijk en wetenschappelijk oogpunt beschouwd, stond men toen, volgens den schrijver, ver bij de tijden van het toen zoo verachte Heidendom ten achter. Onder de proeven, die hij aanvoert, om in 't algemeen den jammervollen invloed der Christelijke kerk in helder licht te plaatsen, komt ook de herinnering voor van den tegenstand, door „das Kirchenthum" aan de erkenning van het kopernikaansche wereldstelsel, aan de ontdekking van Amerika, aan de herleving van de studie der klassieke letterkunde en dergehjke vorderingen van de menschelijke kennis geboden, alsmede van de niet te vergoeden schade, door christelijk fanatisme aan de wetenschap toegebracht door vernieling van de groote Alexandrijnsche bibliotheek.

Dr. Büchner spreekt zooveel kwaad van het Christendom, als hij slechts kan, natuurlijk om des te meer tegen het theïstisch Godsbegrip of eigenlijk het geloof aan eenen persoonüjken God intenemen. Hij schijnt nimmer iets gehoord te hebben van hetgeen dan toch bij eenig streven naar billijke beoordeeling daartegen over in de andere schaal gelegd kan worden, of ook tot verontschuldiging, of althans tot verklaring van hetgeen aan het Christendom wordt te laste gelegd, in aanmerking moet worden genomen. Neen, het Christendom is een ramp en een onheil, en het heeft niet eens de verdienste van het zinloos geloof aan de oude godenwereld gebroken en onder aansluiting aan het Jodendom het Monotheisme tot algemeene erkenning gebracht te hebben. Want reeds zeven eeuwen vóór Christus — zegt hij — begon het Monotheisme veld te winnen; reeds vijf eeuwen vóór Christus komen tamelijk ontwikkelde vormen van Monotheisme bij Egyptenaars en Indiërs voor. Dit kan men ook, volgens hem, van de Joden, Grieken en Skandinaviërs zeggen, ofschoon de Joden dikwijls van den eenen tot den anderen God oversprongen, en in tijden van ellende hunne eigene kinderen aan den gruwelijken God Moloch offerden, een God, dien zij, gelijk Dr. Büchner ons weet te berichten, uit Egypte hadden

Sluiten